Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
2016/0224(COD)
26.6.2017
AMENDEMENTEN
761 - 1117
Ontwerpverslag
Laura Ferrara
(PE597.506v01-00)
Vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en intrekking van Richtlijn 2013/32/EU
Voorstel voor een verordening
( COM(2016)0467 – C8-0321/2016 – 2016/0224(COD) )
AM_Com_LegReport
Amendement 761
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 5 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Het bieden van kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging tijdens de beroepsprocedure kan worden uitgesloten indien: | Schrappen |
(a) de verzoeker over voldoende middelen beschikt; |
|
(b) het beroep geacht wordt geen reële kans van slagen te hebben; |
|
(c) het om een beroep of herziening in tweede of hogere instantie gaat, zoals bepaald in het nationale recht, met inbegrip van een nieuwe rechtszitting of een herziening van beroep. |
|
Or. en
Amendement 762
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 5 – alinea 1 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Het bieden van kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging tijdens de beroepsprocedure kan worden uitgesloten indien: | Het bieden van kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging tijdens de beroepsprocedure wordt uitgesloten indien: |
Or. en
Amendement 763
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 5 – alinea 1 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) het beroep geacht wordt geen reële kans van slagen te hebben; | Schrappen |
Or. en
Amendement 764
Péter Niedermüller, Kati Piri, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 5 – alinea 1 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) het beroep geacht wordt geen reële kans van slagen te hebben; | Schrappen |
Or. en
Motivering
Dit strookt met het standpunt van het Parlement in de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 765
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 5 – alinea 1 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) het beroep geacht wordt geen reële kans van slagen te hebben; | Schrappen |
Or. en
Motivering
Deze bepaling zou op een veel te verregaande wijze kunnen worden geïnterpreteerd door de autoriteiten, en moet bijgevolg worden geschrapt.
Amendement 766
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 5 – alinea 1 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) het beroep geacht wordt geen reële kans van slagen te hebben; | (b) het beroep zo duidelijk ongegrond of bedrieglijk is dat het geen reële kans van slagen heeft en enkel is ingediend om de uitvoering van een beslissing die tot zijn verwijdering van het grondgebied van een lidstaat leidt, te vertragen; |
Or. en
Amendement 767
Péter Niedermüller, Kati Piri, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 5 – alinea 1 – letter c
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(c) het om een beroep of herziening in tweede of hogere instantie gaat, zoals bepaald in het nationale recht, met inbegrip van een nieuwe rechtszitting of een herziening van beroep. | (c) het een beroep of herziening in tweede of hogere instantie betreft, met inbegrip van een nieuwe rechtszitting of een herziening van beroep, en het beroep in tweede instantie wordt geacht geen reële kans van slagen te hebben. |
Or. en
Motivering
Dit strookt met het standpunt van het Parlement in de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 768
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 5 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer een besluit om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden, wordt genomen door een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie, op grond van het feit dat het beroep geacht wordt geen reële kans van slagen te hebben, heeft de verzoeker recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij een rechterlijke instantie tegen die beslissing, en daartoe heeft hij het recht om om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging te verzoeken. | Schrappen |
Or. en
Amendement 769
Péter Niedermüller, Kati Piri, Marju Lauristin, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 5 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer een besluit om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden, wordt genomen door een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie, op grond van het feit dat het beroep geacht wordt geen reële kans van slagen te hebben, heeft de verzoeker recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij een rechterlijke instantie tegen die beslissing, en daartoe heeft hij het recht om om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging te verzoeken. | Wanneer een besluit om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden, wordt genomen door een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie, op grond van het feit dat het beroep geacht wordt geen reële kans van slagen te hebben, heeft de verzoeker recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij een rechterlijke instantie tegen die beslissing, en daartoe heeft hij het recht om om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging te verzoeken. |
Or. en
Amendement 770
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 5 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer een besluit om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden, wordt genomen door een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie, op grond van het feit dat het beroep geacht wordt geen reële kans van slagen te hebben, heeft de verzoeker recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij een rechterlijke instantie tegen die beslissing, en daartoe heeft hij het recht om om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging te verzoeken. | Wanneer een besluit om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden, wordt genomen door een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie, op grond van het feit dat het beroep geacht wordt geen reële kans van slagen te hebben, heeft de verzoeker recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij een rechterlijke instantie tegen die beslissing. |
Or. en
Amendement 771
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 5 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer een besluit om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden, wordt genomen door een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie, op grond van het feit dat het beroep geacht wordt geen reële kans van slagen te hebben, heeft de verzoeker recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij een rechterlijke instantie tegen die beslissing, en daartoe heeft hij het recht om om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging te verzoeken. | Wanneer een besluit om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden, wordt genomen door een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie, heeft de verzoeker recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij een rechterlijke instantie tegen die beslissing, en daartoe heeft hij het recht om om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging te verzoeken. |
Or. en
Amendement 772
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Een juridisch adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten en die de verzoeker overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht bijstaat of vertegenwoordigt, heeft toegang tot de informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen. | 1. Een juridisch adviseur die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten en die de verzoeker overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht bijstaat of vertegenwoordigt, heeft toegang tot de informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen. |
Or. en
Amendement 773
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De beslissingsautoriteit kan de toegang tot de informatie in het dossier van de verzoeker verbieden wanneer de openbaarmaking van informatie of bronnen de nationale veiligheid, de veiligheid van de organisaties of personen die de informatie hebben verstrekt dan wel de veiligheid van de personen op wie de informatie betrekking heeft, in gevaar zou brengen, of wanneer het belang van het onderzoek in verband met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de internationale betrekkingen van de lidstaten zouden worden geschaad. In die gevallen zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat: | Schrappen |
(a) die informatie of bronnen beschikbaar worden voor de rechterlijke instanties in de beroepsprocedure; en |
|
(b) het recht van verdediging van de verzoeker wordt geëerbiedigd. |
|
Or. en
Amendement 774
Péter Niedermüller, Kati Piri, Josef Weidenholzer, Ana Gomes, Caterina Chinnici
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 – alinea 1 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De beslissingsautoriteit kan de toegang tot de informatie in het dossier van de verzoeker verbieden wanneer de openbaarmaking van informatie of bronnen de nationale veiligheid, de veiligheid van de organisaties of personen die de informatie hebben verstrekt dan wel de veiligheid van de personen op wie de informatie betrekking heeft, in gevaar zou brengen, of wanneer het belang van het onderzoek in verband met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de internationale betrekkingen van de lidstaten zouden worden geschaad. In die gevallen zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat: | De beslissingsautoriteit kan de toegang tot de informatie in het dossier van de verzoeker verbieden wanneer de openbaarmaking van informatie of bronnen de nationale veiligheid, de veiligheid van de organisaties of personen die de informatie hebben verstrekt dan wel de veiligheid van de personen op wie de informatie betrekking heeft, in gevaar zou brengen. In die gevallen zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat: |
Or. en
Motivering
Aangezien de juridisch adviseur van de verzoeker toegang moet hebben tot het dossier van de verzoeker om passend advies over het verzoek te geven, moet elke uitzondering op toegang tot dit dossier zeer beperkt zijn. De geschrapte tekst is te ruim en te vaag, en biedt ruimte voor een algemene uitsluiting van de toegang tot het dossier.
Amendement 775
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
In verband met het bepaalde onder b) verleent de beslissingsautoriteit met name toegang tot informatie of bronnen aan juridisch adviseurs of andere raadslieden die aan een veiligheidscontrole werden onderworpen, voor zover de informatie relevant is voor de behandeling van het verzoek of voor het nemen van een beslissing tot intrekking van internationale bescherming. | In verband met het bepaalde onder b) kan de beslissingsautoriteit met name toegang tot informatie of bronnen aan juridisch adviseurs of andere raadslieden verlenen die aan een veiligheidscontrole werden onderworpen, voor zover de informatie relevant is voor de behandeling van het verzoek of voor het nemen van een beslissing tot intrekking van internationale bescherming. |
Or. en
Amendement 776
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
In verband met het bepaalde onder b) verleent de beslissingsautoriteit met name toegang tot informatie of bronnen aan juridisch adviseurs of andere raadslieden die aan een veiligheidscontrole werden onderworpen, voor zover de informatie relevant is voor de behandeling van het verzoek of voor het nemen van een beslissing tot intrekking van internationale bescherming. | In verband met het bepaalde onder b) verleent de beslissingsautoriteit met name toegang tot informatie of bronnen aan juridisch adviseurs die aan een veiligheidscontrole werden onderworpen, voor zover de informatie relevant is voor de behandeling van het verzoek of voor het nemen van een beslissing tot intrekking van internationale bescherming. |
Or. en
Amendement 777
Kinga Gál
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. De juridisch adviseur of andere raadsman die een verzoeker bijstaat of vertegenwoordigt, heeft toegang tot gesloten ruimten, zoals detentiecentra en transitzones, om met de verzoeker te kunnen overleggen, overeenkomstig Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen). | 3. De juridisch vertegenwoordiger die een verzoeker bijstaat of vertegenwoordigt, kan toegang hebben tot gesloten ruimten, zoals detentiecentra en transitzones, om met de verzoeker te kunnen overleggen, overeenkomstig Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen). |
Or. hu
Amendement 778
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. De juridisch adviseur of andere raadsman die een verzoeker bijstaat of vertegenwoordigt, heeft toegang tot gesloten ruimten, zoals detentiecentra en transitzones, om met de verzoeker te kunnen overleggen, overeenkomstig Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen). | 3. De juridisch adviseur die een verzoeker bijstaat of vertegenwoordigt, kan toegang hebben tot gesloten ruimten, zoals detentiecentra en transitzones, om met de verzoeker te kunnen overleggen, overeenkomstig Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen). |
Or. en
Amendement 779
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Een verzoeker mag zich bij het persoonlijk onderhoud laten vergezellen door een juridisch adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten. De juridisch adviseur of andere raadsman is bevoegd om tijdens het persoonlijk onderhoud te interveniëren. | 4. Een verzoeker mag zich bij het persoonlijk onderhoud laten vergezellen door een juridisch adviseur die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten. |
Or. en
Amendement 780
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. De beslissingsautoriteit kan verlangen dat de verzoeker aanwezig is bij het persoonlijk onderhoud, zelfs als hij krachtens nationaal recht door een juridisch adviseur of raadsman wordt vertegenwoordigd, en kan verlangen dat de verzoeker de vragen zelf beantwoordt. | 5. De beslissingsautoriteit kan verlangen dat de verzoeker aanwezig is bij het persoonlijk onderhoud, zelfs als hij krachtens nationaal recht door een juridisch adviseur wordt vertegenwoordigd, en kan verlangen dat de verzoeker de vragen zelf beantwoordt. |
Or. en
Amendement 781
Péter Niedermüller, Birgit Sippel, Marju Lauristin, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 6
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
6. Onverminderd artikel 22, lid 5, belet de afwezigheid van een juridisch adviseur of andere raadsman de beslissingsautoriteit niet de verzoeker persoonlijk te horen. | 6. Onverminderd artikel 22, lid 5, belet de afwezigheid van een juridisch adviseur of andere raadsman de beslissingsautoriteit niet de verzoeker persoonlijk te horen, mits de verzoeker in kennis is gesteld van zijn recht op rechtsbijstand en vertegenwoordiging – waaronder in voorkomend geval kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging – en ervoor heeft gekozen dat recht niet uit te oefenen. |
Or. en
Motivering
Gewoonlijk wordt een persoonlijk onderhoud uitgevoerd in aanwezigheid van de juridisch adviseur. Indien het onderhoud dient plaats te vinden zonder aanwezigheid van de juridisch adviseur, moet de verzoeker duidelijk van tevoren in kennis worden gesteld over zijn recht op rechtsbijstand en vertegenwoordiging.
Amendement 782
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 6
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
6. Onverminderd artikel 22, lid 5, belet de afwezigheid van een juridisch adviseur of andere raadsman de beslissingsautoriteit niet de verzoeker persoonlijk te horen. | 6. De afwezigheid van een juridisch adviseur of andere raadsman belet de beslissingsautoriteit de verzoeker persoonlijk te horen, tenzij de verzoeker in kennis is gesteld van zijn recht op juridisch advies maar hiervan afziet. |
Or. en
Amendement 783
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 6
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
6. Onverminderd artikel 22, lid 5, belet de afwezigheid van een juridisch adviseur of andere raadsman de beslissingsautoriteit niet de verzoeker persoonlijk te horen. | 6. Onverminderd artikel 22, lid 5, belet de afwezigheid van een juridisch adviseur de beslissingsautoriteit niet de verzoeker persoonlijk te horen. |
Or. en
Amendement 784
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging worden verstrekt door juridisch adviseurs of andere raadslieden aan wie het krachtens het nationale recht is toegestaan verzoekers bij te staan of te vertegenwoordigen of door niet-gouvernementele organisaties die krachtens het nationale recht erkend zijn en adviesdiensten of vertegenwoordiging mogen bieden. | 1. Kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging worden verstrekt door juridisch adviseurs aan wie het krachtens het nationale recht is toegestaan verzoekers bij te staan of te vertegenwoordigen. |
Or. en
Amendement 785
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De lidstaten stellen specifieke procedureregels vast betreffende de wijze waarop verzoeken om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging worden ingediend en behandeld in verband met verzoeken om internationale bescherming of passen de bestaande regels toe die gelden voor soortgelijke binnenlandse verzoeken, op voorwaarde dat deze regels de toegang tot kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet onmogelijk of buitensporig moeilijk maken. | 2. De lidstaten stellen specifieke procedureregels vast betreffende de wijze waarop verzoeken om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging worden ingediend en behandeld in verband met verzoeken om internationale bescherming of passen de bestaande regels toe die gelden voor soortgelijke binnenlandse verzoeken, op voorwaarde dat deze regels de toegang tot kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet onmogelijk of buitensporig moeilijk maken. De verzoeker moet te allen tijde in kennis worden gesteld van deze regels. |
Or. en
Amendement 786
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De lidstaten stellen specifieke procedureregels vast betreffende de wijze waarop verzoeken om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging worden ingediend en behandeld in verband met verzoeken om internationale bescherming of passen de bestaande regels toe die gelden voor soortgelijke binnenlandse verzoeken, op voorwaarde dat deze regels de toegang tot kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet onmogelijk of buitensporig moeilijk maken. | 2. De lidstaten stellen specifieke procedureregels vast betreffende de wijze waarop verzoeken om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging worden ingediend en behandeld in verband met verzoeken om internationale bescherming die niet stringenter zijn dan de bestaande regels die gelden voor soortgelijke binnenlandse verzoeken, op voorwaarde dat deze regels de toegang tot kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet onmogelijk of buitensporig moeilijk maken. |
Or. en
Amendement 787
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. De lidstaten kunnen het verstrekken van kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging financieel of in de tijd beperken, mits deze beperkingen de toegang tot kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet willekeurig belemmeren. Wat vergoedingen en andere kosten betreft, mag de behandeling van verzoekers niet ongunstiger zijn dan de behandeling die hun eigen onderdanen op het gebied van rechtsbijstand in het algemeen genieten. | Schrappen |
Or. en
Amendement 788
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. De lidstaten kunnen het verstrekken van kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging financieel of in de tijd beperken, mits deze beperkingen de toegang tot kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet willekeurig belemmeren. Wat vergoedingen en andere kosten betreft, mag de behandeling van verzoekers niet ongunstiger zijn dan de behandeling die hun eigen onderdanen op het gebied van rechtsbijstand in het algemeen genieten. | 3. De lidstaten beperken het verstrekken van kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging financieel en in de tijd. Wat vergoedingen en andere kosten betreft, mag de behandeling van verzoekers niet gunstiger zijn dan de behandeling die hun eigen onderdanen op het gebied van rechtsbijstand in het algemeen genieten. |
Or. en
Amendement 789
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. De lidstaten kunnen het verstrekken van kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging financieel of in de tijd beperken, mits deze beperkingen de toegang tot kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet willekeurig belemmeren. Wat vergoedingen en andere kosten betreft, mag de behandeling van verzoekers niet ongunstiger zijn dan de behandeling die hun eigen onderdanen op het gebied van rechtsbijstand in het algemeen genieten. | 3. De lidstaten kunnen het verstrekken van kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging financieel of in de tijd beperken, mits deze beperkingen niet willekeurig zijn en de toegang tot kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet onnodig belemmeren. Wat vergoedingen en andere kosten betreft, mag de behandeling van verzoekers niet ongunstiger zijn dan de behandeling die hun eigen onderdanen op het gebied van rechtsbijstand in het algemeen genieten. |
Or. en
Motivering
De door de Commissie voorgestelde bepaling zou de lidstaten in staat stellen om eventuele beperkingen met betrekking tot de verstrekking van kosteloze rechtsbijstand vast te stellen zolang deze beperkingen niet willekeurig zijn; er moet worden verduidelijkt dat eventuele beperkingen de toegang tot kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet onnodig mogen verhinderen.
Amendement 790
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De lidstaten kunnen om gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde kosten verzoeken wanneer de financiële situatie van de verzoeker aanzienlijk verbetert of wanneer de beslissing om die kosten te betalen, is genomen op basis van door de verzoeker verstrekte onjuiste informatie. | Schrappen |
Or. en
Amendement 791
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De lidstaten kunnen om gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde kosten verzoeken wanneer de financiële situatie van de verzoeker aanzienlijk verbetert of wanneer de beslissing om die kosten te betalen, is genomen op basis van door de verzoeker verstrekte onjuiste informatie. | 4. Met inachtneming van de bepalingen van artikel 14 kunnen de lidstaten in overeenstemming met artikel 15, lid 3, onder b), en artikel 15, lid 5, onder b), de verstrekking van kosteloze rechtsbijstand beëindigen wanneer de financiële situatie van de verzoeker aanzienlijk verbetert. De lidstaten kunnen om gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde kosten verzoeken wanneer de beslissing om die kosten te betalen, is genomen op basis van door de verzoeker verstrekte onjuiste informatie, indien kan worden vastgesteld dat de verzoeker over voldoende middelen beschikt. |
Or. en
Motivering
Het lijkt niet passend om met terugwerkende kracht te verzoeken om terugbetaling van de kosten voor rechtsbijstand waarvan de lidstaten hebben toegezegd ze te zullen dekken, maar het moet mogelijk zijn om de verstrekking van kosteloze rechtsbijstand stop te zetten wanneer de financiële situatie van de verzoeker aanzienlijk verbetert. Indien een verzoeker die over voldoende middelen beschikt kosteloze rechtsbijstand heeft genoten op basis van onjuiste aanvragen, moet de lidstaat over de mogelijkheid kunnen beschikken de verzoeker om een terugbetaling van de kosten te vragen.
Amendement 792
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De lidstaten kunnen om gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde kosten verzoeken wanneer de financiële situatie van de verzoeker aanzienlijk verbetert of wanneer de beslissing om die kosten te betalen, is genomen op basis van door de verzoeker verstrekte onjuiste informatie. | 4. De lidstaten kunnen om gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde kosten verzoeken wanneer de financiële situatie van de verzoeker zodanig verbetert dat hij thans over voldoende financiële middelen beschikt of wanneer de beslissing om die kosten te betalen, is genomen op basis van door de verzoeker verstrekte onjuiste informatie. |
Or. en
Amendement 793
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De lidstaten kunnen om gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde kosten verzoeken wanneer de financiële situatie van de verzoeker aanzienlijk verbetert of wanneer de beslissing om die kosten te betalen, is genomen op basis van door de verzoeker verstrekte onjuiste informatie. | 4. De lidstaten kunnen om gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde kosten verzoeken wanneer de beslissing om die kosten te betalen, is genomen op basis van door de verzoeker verstrekte onjuiste informatie. |
Or. en
Amendement 794
Péter Niedermüller, Kati Piri, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De lidstaten kunnen om gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde kosten verzoeken wanneer de financiële situatie van de verzoeker aanzienlijk verbetert of wanneer de beslissing om die kosten te betalen, is genomen op basis van door de verzoeker verstrekte onjuiste informatie. | 4. De lidstaten kunnen om gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de gemaakte kosten verzoeken wanneer de beslissing om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging te verstrekken is genomen op basis van door de verzoeker verstrekte onjuiste informatie. |
Or. en
Motivering
Dit strookt met de door het Parlement goedgekeurde tekst in de richtlijn opvangvoorzieningen. De verzoeker mag uitsluitend worden verplicht om de kosten van kosteloze rechtsbijstand terug te betalen indien later blijkt dat de kosteloze rechtsbijstand is verleend op basis van door de verzoeker verstrekte onjuiste informatie.
Amendement 795
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De lidstaten kunnen om gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde kosten verzoeken wanneer de financiële situatie van de verzoeker aanzienlijk verbetert of wanneer de beslissing om die kosten te betalen, is genomen op basis van door de verzoeker verstrekte onjuiste informatie. | 4. De lidstaten verzoeken om gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde kosten wanneer de financiële situatie van de verzoeker aanzienlijk verbetert of wanneer de beslissing om die kosten te betalen, is genomen op basis van door de verzoeker verstrekte onjuiste informatie. |
Or. en
Amendement 796
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 18
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Artikel 18 | Schrappen |
De rol van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen |
|
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen: |
|
(a) toegang heeft tot de verzoekers, met inbegrip van die welke zich in opvangcentra, detentie, aan de grens en in transitzones bevinden; |
|
(b) toegang heeft tot gegevens betreffende individuele verzoeken om internationale bescherming, het verloop van de procedure en de genomen beslissingen, mits de verzoeker daarmee instemt; |
|
(c) bij de uitoefening van zijn toezichthoudende taak in het kader van artikel 35 van het Verdrag van Genève, in elke fase van de procedure aan de bevoegde autoriteiten zijn zienswijze kan geven in verband met individuele verzoeken om internationale bescherming. |
|
2. Lid 1 geldt ook voor een organisatie die ingevolge een overeenkomst met de betrokken lidstaat namens de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen op het grondgebied van die lidstaat actief is. |
|
Or. en
Amendement 797
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De rol van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen | De rol van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en relevante ngo's |
Or. en
Amendement 798
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 1 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen: | 1. De lidstaten zorgen ervoor dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en relevante ngo's: |
Or. en
Amendement 799
Beatrix von Storch
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 1 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen: | 1. De lidstaten kunnen ervoor zorgen dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen: |
Or. en
Amendement 800
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – alinea 1 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) toegang heeft tot gegevens betreffende individuele verzoeken om internationale bescherming, het verloop van de procedure en de genomen beslissingen, mits de verzoeker daarmee instemt; | (b) toegang heeft tot gegevens betreffende individuele verzoeken om internationale bescherming, het verloop van de gehele procedure en de genomen beslissingen, mits de verzoeker daarmee instemt; |
Or. en
Amendement 801
Beatrix von Storch
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. Lid 1 geldt ook voor een organisatie die ingevolge een overeenkomst met de betrokken lidstaat namens de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen op het grondgebied van die lidstaat actief is. | Schrappen |
Or. en
Amendement 802
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk II – afdeling IV – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Bijzondere waarborgen | Specifieke waarborgen |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 803
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Verzoekers die bijzondere procedurele waarborgen behoeven | Verzoekers die specifieke procedurele waarborgen behoeven |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 804
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De beslissingsautoriteit beoordeelt systematisch of een individuele verzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Die beoordeling kan worden geïntegreerd in de bestaande nationale procedures of in de beoordeling bedoeld in artikel 21 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), en hoeft niet de vorm van een administratieve procedure aan te nemen. | De beslissingsautoriteit beoordeelt systematisch en zo snel mogelijk nadat het verzoek is ingediend of een individuele verzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Die beoordeling kan worden geïntegreerd in de bestaande nationale procedures of in de beoordeling bedoeld in artikel 21 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), en hoeft niet de vorm van een administratieve procedure aan te nemen. |
Or. en
Amendement 805
Péter Niedermüller, Marju Lauristin, Kati Piri, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De beslissingsautoriteit beoordeelt systematisch of een individuele verzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Die beoordeling kan worden geïntegreerd in de bestaande nationale procedures of in de beoordeling bedoeld in artikel 21 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), en hoeft niet de vorm van een administratieve procedure aan te nemen. | De beslissingsautoriteit beoordeelt systematisch en per geval of een individuele verzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft, zo nodig bijgestaan door een gekwalificeerde tolk. Die beoordeling wordt geïntegreerd in de bestaande nationale procedures of in de beoordeling bedoeld in artikel 21 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen) |
Or. en
Motivering
De formulering is in overeenstemming gebracht met de goedgekeurde tekst over specifieke opvangbehoeften in de richtlijn opvangvoorzieningen, omdat in deze tekst wordt opgeroepen tot integratie van beide beoordelingen.
Amendement 806
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De beslissingsautoriteit beoordeelt systematisch of een individuele verzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Die beoordeling kan worden geïntegreerd in de bestaande nationale procedures of in de beoordeling bedoeld in artikel 21 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), en hoeft niet de vorm van een administratieve procedure aan te nemen. | De beslissingsautoriteit beoordeelt systematisch of een individuele verzoeker specifieke procedurele waarborgen behoeft. Die beoordeling kan worden geïntegreerd in de bestaande nationale procedures of in de beoordeling bedoeld in artikel 21 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), en hoeft niet de vorm van een administratieve procedure aan te nemen. |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 807
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 1 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Bij die beoordeling eerbiedigt de beslissingsautoriteit de algemene beginselen voor de beoordeling van bijzondere procedurele behoeften, die zijn vastgesteld in artikel 20. | Bij die beoordeling eerbiedigt de beslissingsautoriteit de algemene beginselen voor de beoordeling van specifieke procedurele behoeften, die zijn vastgesteld in artikel 20. |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 808
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. Verzoekers waarvan is geconstateerd dat zij bijzondere procedurele waarborgen behoeven, krijgen, zolang de procedure voor internationale bescherming loopt, passende steun, zodat zij aanspraak kunnen maken op de rechten en kunnen voldoen aan de verplichtingen die in deze verordening zijn vastgesteld. | 2. Verzoekers waarvan is geconstateerd dat zij bijzondere procedurele waarborgen behoeven, krijgen, zolang de procedure voor internationale bescherming loopt, passende steun, zodat zij aanspraak kunnen maken op de rechten en kunnen voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld, en wordt hun een tolk, een cultureel bemiddelaar en een juridisch adviseur ter beschikking gesteld. |
Or. en
Amendement 809
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. Verzoekers waarvan is geconstateerd dat zij bijzondere procedurele waarborgen behoeven, krijgen, zolang de procedure voor internationale bescherming loopt, passende steun, zodat zij aanspraak kunnen maken op de rechten en kunnen voldoen aan de verplichtingen die in deze verordening zijn vastgesteld. | 2. Verzoekers waarvan is geconstateerd dat zij specifieke procedurele waarborgen behoeven, krijgen, zolang de procedure voor internationale bescherming loopt, passende steun, zodat zij aanspraak kunnen maken op de rechten en kunnen voldoen aan de verplichtingen die in deze verordening zijn vastgesteld. |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 810
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer deze passende steun niet in het kader van de in artikel 40 bedoelde versnelde behandelingsprocedure of de in artikel 41 bedoelde grensprocedure kan worden verleend, met name wanneer de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de verzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft ten gevolge van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, of gendergerelateerd geweld, past de beslissingsautoriteit deze procedures niet of niet langer toe op de verzoekers. | 3. Redelijke, passende steun wordt verleend in het kader van de in artikel 40 bedoelde versnelde behandelingsprocedure of de in artikel 41 bedoelde grensprocedure. |
Or. en
Amendement 811
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer deze passende steun niet in het kader van de in artikel 40 bedoelde versnelde behandelingsprocedure of de in artikel 41 bedoelde grensprocedure kan worden verleend, met name wanneer de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de verzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft ten gevolge van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, of gendergerelateerd geweld, past de beslissingsautoriteit deze procedures niet of niet langer toe op de verzoekers. | 3. Bij een verzoeker waarvan is geconstateerd dat hij bijzondere procedurele waarborgen behoeft ten gevolge van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, of gendergerelateerd geweld, past de beslissingsautoriteit niet of niet langer de in artikel 40 bedoelde versnelde behandelingsprocedure of de in artikel 41 bedoelde grensprocedure toe. |
Or. en
Amendement 812
Péter Niedermüller, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer deze passende steun niet in het kader van de in artikel 40 bedoelde versnelde behandelingsprocedure of de in artikel 41 bedoelde grensprocedure kan worden verleend, met name wanneer de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de verzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft ten gevolge van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, of gendergerelateerd geweld, past de beslissingsautoriteit deze procedures niet of niet langer toe op de verzoekers. | 3. Wanneer deze passende steun niet in het kader van de in artikel 40 bedoelde versnelde behandelingsprocedure of de in artikel 41 bedoelde grensprocedure kan worden verleend, of wanneer de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de verzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft, met bijzondere aandacht voor slachtoffers van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, of gendergerelateerd geweld, past de beslissingsautoriteit deze procedures niet of niet langer toe op de verzoekers. |
Or. en
Motivering
In overeenstemming gebracht met de door het Parlement goedgekeurde tekst over kwetsbare groeperingen in de verordening inzake een Asielagentschap van de Europese Unie.
Amendement 813
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer deze passende steun niet in het kader van de in artikel 40 bedoelde versnelde behandelingsprocedure of de in artikel 41 bedoelde grensprocedure kan worden verleend, met name wanneer de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de verzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft ten gevolge van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, of gendergerelateerd geweld, past de beslissingsautoriteit deze procedures niet of niet langer toe op de verzoekers. | 3. Wanneer deze passende steun niet in het kader van de in artikel 40 bedoelde versnelde behandelingsprocedure of de in artikel 41 bedoelde grensprocedure kan worden verleend, met name wanneer de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de verzoeker specifieke procedurele waarborgen behoeft ten gevolge van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, of gendergerelateerd geweld, past de beslissingsautoriteit deze procedures niet of niet langer toe op de verzoekers. |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 814
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de details en specifieke maatregelen specificeren voor het beoordelen van en het voorzien in de bijzondere procedurele behoeften van verzoekers, met inbegrip van die van niet-begeleide minderjarigen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. | Schrappen |
Or. en
Amendement 815
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de details en specifieke maatregelen specificeren voor het beoordelen van en het voorzien in de bijzondere procedurele behoeften van verzoekers, met inbegrip van die van niet-begeleide minderjarigen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. | 4. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de details en specifieke maatregelen specificeren voor het beoordelen van en het voorzien in de specifieke procedurele behoeften van verzoekers, met inbegrip van die van niet-begeleide minderjarigen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 816
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de details en specifieke maatregelen specificeren voor het beoordelen van en het voorzien in de bijzondere procedurele behoeften van verzoekers, met inbegrip van die van niet-begeleide minderjarigen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. | 4. De Commissie is overeenkomstig artikel 59 gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de details en specifieke maatregelen zijn gespecificeerd voor het beoordelen van en het voorzien in de bijzondere procedurele behoeften van verzoekers, met inbegrip van die van niet-begeleide minderjarigen. |
Or. en
Amendement 817
Péter Niedermüller
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de details en specifieke maatregelen specificeren voor het beoordelen van en het voorzien in de bijzondere procedurele behoeften van verzoekers, met inbegrip van die van niet-begeleide minderjarigen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. | 4. De Commissie is overeenkomstig artikel 59 gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de details en specifieke maatregelen zijn gespecificeerd voor het beoordelen van en het voorzien in de bijzondere procedurele behoeften van verzoekers, met inbegrip van die van niet-begeleide minderjarigen. |
Or. en
Motivering
De wijze waarop beslissingsautoriteiten tegemoetkomen aan bijzondere procedurele behoeften, is een belangrijk procedureel recht voor verzoekers. Gezien het belang ervan, is het noodzakelijk dat de medewetgevers het eens zijn over elke handeling waarin de details en specifieke maatregelen die verzoekers ter beschikking zijn gesteld, nader worden uitgewerkt. Met dat in het achterhoofd kan in deze omstandigheden uitsluitend een gedelegeerde handeling worden gebruikt.
Amendement 818
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Algemene beginselen voor de beoordeling van bijzondere procedurele behoeften | Algemene beginselen voor de beoordeling van specifieke procedurele behoeften |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 819
Péter Niedermüller, Birgit Sippel, Kati Piri, Caterina Chinnici, Elly Schlein, Cécile Kashetu Kyenge, Ana Gomes, Josef Weidenholzer
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Het proces om vast te stellen welke verzoekers bijzondere procedurele behoeften hebben, wordt geïnitieerd door de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en registreren van verzoeken, zodra een verzoek is gedaan en voortgezet door de beslissingsautoriteit zodra het verzoek is ingediend. | 1. Het proces om vast te stellen welke verzoekers bijzondere procedurele behoeften hebben, wordt geïnitieerd door de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en registreren van verzoeken, zodra een verzoek is gedaan en voortgezet door de beslissingsautoriteit zodra het verzoek is ingediend. De beoordeling mag in geen geval later dan 15 dagen na indiening van een verzoek worden gestart en moet binnen 30 dagen worden afgerond. |
Or. en
Motivering
In overeenstemming gebracht met de door het Parlement goedgekeurde tekst over specifieke opvangbehoeften in de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 820
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Het proces om vast te stellen welke verzoekers bijzondere procedurele behoeften hebben, wordt geïnitieerd door de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en registreren van verzoeken, zodra een verzoek is gedaan en voortgezet door de beslissingsautoriteit zodra het verzoek is ingediend. | 1. Het proces om vast te stellen welke verzoekers specifieke procedurele behoeften hebben, wordt geïnitieerd door de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en registreren van verzoeken, zodra een verzoek is gedaan en voortgezet door de beslissingsautoriteit zodra het verzoek is ingediend. |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 821
Emil Radev
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Het personeel van de voor het ontvangen en registreren van verzoeken verantwoordelijke autoriteiten geeft bij de registratie van het verzoek aan of een verzoeker al dan niet eerste indicaties vertoont van kwetsbaarheid die bijzondere procedurele waarborgen kunnen vereisen en kunnen worden afgeleid uit fysieke tekenen of uitspraken of gedrag van de verzoeker. | Het personeel van de voor het ontvangen en registreren van verzoeken verantwoordelijke autoriteiten geeft bij de registratie van het verzoek aan of een verzoeker al dan niet duidelijke indicaties vertoont van kwetsbaarheid die bijzondere procedurele waarborgen kunnen vereisen en kunnen worden afgeleid uit fysieke tekenen of uitspraken of gedrag van de verzoeker. |
Or. bg
Amendement 822
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Het personeel van de voor het ontvangen en registreren van verzoeken verantwoordelijke autoriteiten geeft bij de registratie van het verzoek aan of een verzoeker al dan niet eerste indicaties vertoont van kwetsbaarheid die bijzondere procedurele waarborgen kunnen vereisen en kunnen worden afgeleid uit fysieke tekenen of uitspraken of gedrag van de verzoeker. | Het personeel van de voor het ontvangen en registreren van verzoeken verantwoordelijke autoriteiten geeft bij de registratie van het verzoek aan of een verzoeker al dan niet eerste indicaties vertoont van kwetsbaarheid die specifieke procedurele waarborgen kunnen vereisen en kunnen worden afgeleid uit fysieke tekenen of uitspraken of gedrag van de verzoeker. |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 823
Péter Niedermüller, Josef Weidenholzer, Ana Gomes, Caterina Chinnici
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De informatie dat een verzoeker eerste indicaties van kwetsbaarheid vertoont, wordt in het dossier van de verzoeker opgenomen samen met de beschrijving van de tekenen van kwetsbaarheid van de verzoeker die bijzondere procedurele waarborgen kunnen vereisen. | De informatie dat een verzoeker eerste indicaties van kwetsbaarheid vertoont, wordt in het dossier van de verzoeker opgenomen samen met de beschrijving van de tekenen van kwetsbaarheid van de verzoeker die bijzondere procedurele waarborgen kunnen vereisen en de opmerkingen van de verzoeker over de behoefte aan bijzondere procedurele bijstand. |
Or. en
Motivering
Formulering in overeenstemming gebracht met de goedgekeurde formulering over specifieke opvangbehoeften in de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 824
Emil Radev
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De informatie dat een verzoeker eerste indicaties van kwetsbaarheid vertoont, wordt in het dossier van de verzoeker opgenomen samen met de beschrijving van de tekenen van kwetsbaarheid van de verzoeker die bijzondere procedurele waarborgen kunnen vereisen. | De informatie dat een verzoeker duidelijke indicaties van kwetsbaarheid vertoont, wordt in het dossier van de verzoeker opgenomen samen met de beschrijving van de tekenen van kwetsbaarheid van de verzoeker die bijzondere procedurele waarborgen kunnen vereisen. |
Or. bg
Amendement 825
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De informatie dat een verzoeker eerste indicaties van kwetsbaarheid vertoont, wordt in het dossier van de verzoeker opgenomen samen met de beschrijving van de tekenen van kwetsbaarheid van de verzoeker die bijzondere procedurele waarborgen kunnen vereisen. | De informatie dat een verzoeker eerste indicaties van kwetsbaarheid vertoont, wordt in het dossier van de verzoeker opgenomen samen met de beschrijving van de tekenen van kwetsbaarheid van de verzoeker die specifieke procedurele waarborgen kunnen vereisen. |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 826
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2 – alinea 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De lidstaten zorgen ervoor dat het personeel van de in artikel 5 bedoelde autoriteiten is opgeleid om eerste tekenen van kwetsbaarheid van verzoekers vast te stellen die bijzondere procedurele waarborgen zouden kunnen vereisen en dat het daartoe instructies krijgt. | De lidstaten zorgen ervoor dat het personeel van de in artikel 5 bedoelde autoriteiten is opgeleid om eerste tekenen van kwetsbaarheid van verzoekers vast te stellen die specifieke procedurele waarborgen zouden kunnen vereisen en dat het daartoe instructies krijgt. |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 827
Emil Radev
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2 – alinea 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De lidstaten zorgen ervoor dat het personeel van de in artikel 5 bedoelde autoriteiten is opgeleid om eerste tekenen van kwetsbaarheid van verzoekers vast te stellen die bijzondere procedurele waarborgen zouden kunnen vereisen en dat het daartoe instructies krijgt. | De lidstaten zorgen ervoor dat het personeel van de in artikel 5 bedoelde autoriteiten is opgeleid om duidelijke tekenen van kwetsbaarheid van verzoekers vast te stellen die bijzondere procedurele waarborgen zouden kunnen vereisen en dat het daartoe instructies krijgt. |
Or. bg
Amendement 828
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 3 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer er aanwijzingen zijn dat verzoekers mogelijk slachtoffer zijn geweest van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, of gendergerelateerd geweld, en dat dit hun vermogen om daadwerkelijk aan de procedure deel te nemen, negatief zou kunnen beïnvloeden, verwijst de beslissingsautoriteit de verzoekers naar een arts of psycholoog voor verdere beoordeling van hun psychische en fysieke toestand. | In voorkomend geval, kan de beslissingsautoriteit de verzoekers verwijzen naar een arts of psycholoog voor verdere beoordeling van hun psychische en fysieke toestand. |
Or. en
Amendement 829
Péter Niedermüller, Birgit Sippel, Kati Piri, Caterina Chinnici, Marju Lauristin, Josef Weidenholzer, Ana Gomes, Cécile Kashetu Kyenge, Elly Schlein
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 3 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer er aanwijzingen zijn dat verzoekers mogelijk slachtoffer zijn geweest van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, of gendergerelateerd geweld, en dat dit hun vermogen om daadwerkelijk aan de procedure deel te nemen, negatief zou kunnen beïnvloeden, verwijst de beslissingsautoriteit de verzoekers naar een arts of psycholoog voor verdere beoordeling van hun psychische en fysieke toestand. | Wanneer er aanwijzingen zijn dat verzoekers mogelijk slachtoffer zijn geweest van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, of gendergerelateerd geweld, en dat dit hun vermogen om daadwerkelijk aan de procedure deel te nemen, negatief zou kunnen beïnvloeden, verwijst de beslissingsautoriteit de verzoekers naar een arts of psycholoog voor verdere beoordeling van hun psychische en fysieke toestand. In dergelijke gevallen is de arts of psycholoog speciaal opgeleid voor het uitvoeren van een dergelijke beoordeling en wordt hij of zij bijgestaan door een gekwalificeerde tolk. |
Or. en
Motivering
Formulering in overeenstemming gebracht met de goedgekeurde formulering over specifieke opvangbehoeften in de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 830
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 3 – alinea 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Dit onderzoek doet geen afbreuk aan het medisch onderzoek bedoeld in de artikelen 23 en 24. | Schrappen |
Or. en
Amendement 831
Péter Niedermüller, Kati Piri, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De verantwoordelijke autoriteiten voorzien in de behoefte aan bijzondere procedurele waarborgen zoals bedoeld in dit artikel, zelfs wanneer die behoefte pas in een later stadium van de procedure duidelijk wordt, zonder dat de procedure voor internationale bescherming opnieuw moet worden ingeleid. | 4. De verantwoordelijke autoriteiten voorzien in de behoefte aan bijzondere procedurele waarborgen zoals bedoeld in dit artikel, zelfs wanneer die behoefte pas in een later stadium van de procedure duidelijk wordt, of wanneer de verzoeker een met redenen omkleed verzoek indient om zijn bijzondere procedurele behoeften opnieuw te laten beoordelen, zonder dat de procedure voor internationale bescherming opnieuw moet worden ingeleid. |
Or. en
Motivering
De formulering is in overeenstemming gebracht met de goedgekeurde formulering over specifieke opvangbehoeften in de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 832
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De verantwoordelijke autoriteiten voorzien in de behoefte aan bijzondere procedurele waarborgen zoals bedoeld in dit artikel, zelfs wanneer die behoefte pas in een later stadium van de procedure duidelijk wordt, zonder dat de procedure voor internationale bescherming opnieuw moet worden ingeleid. | 4. De verantwoordelijke autoriteiten voorzien in de behoefte aan bijzondere procedurele waarborgen zoals bedoeld in dit artikel, ook wanneer die behoefte pas in een later stadium van de procedure duidelijk wordt of ter sprake wordt gebracht, zonder dat de procedure voor internationale bescherming opnieuw moet worden ingeleid. |
Or. en
Amendement 833
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De verantwoordelijke autoriteiten voorzien in de behoefte aan bijzondere procedurele waarborgen zoals bedoeld in dit artikel, zelfs wanneer die behoefte pas in een later stadium van de procedure duidelijk wordt, zonder dat de procedure voor internationale bescherming opnieuw moet worden ingeleid. | 4. De verantwoordelijke autoriteiten voorzien in de behoefte aan specifieke procedurele waarborgen zoals bedoeld in dit artikel, zelfs wanneer die behoefte pas in een later stadium van de procedure duidelijk wordt, zonder dat de procedure voor internationale bescherming opnieuw moet worden ingeleid. |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 834
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Bij de toepassing van deze verordening laten de lidstaten zich in eerste instantie leiden door het belang van het kind. | 1. Bij de toepassing van deze richtlijn laten de lidstaten zich in eerste instantie leiden door het belang van het kind. |
Or. en
Amendement 835
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De beslissingsautoriteit stelt een minderjarige in de gelegenheid een persoonlijk onderhoud te hebben, ook wanneer hij overeenkomstig artikel 31, lid 6, en artikel 32, lid 1, in eigen naam een verzoek heeft gedaan, tenzij dit kennelijk niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de beslissingsautoriteit de beslissing om een minderjarige niet in de gelegenheid te stellen een persoonlijk onderhoud te hebben. | De beslissingsautoriteit stelt een minderjarige in de gelegenheid een persoonlijk onderhoud te hebben, ook wanneer hij overeenkomstig artikel 31, lid 6, en artikel 32, lid 1, in eigen naam een verzoek heeft gedaan, tenzij dit kennelijk niet in het belang van het kind is. |
Or. en
Amendement 836
Miltiadis Kyrkos
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De beslissingsautoriteit stelt een minderjarige in de gelegenheid een persoonlijk onderhoud te hebben, ook wanneer hij overeenkomstig artikel 31, lid 6, en artikel 32, lid 1, in eigen naam een verzoek heeft gedaan, tenzij dit kennelijk niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de beslissingsautoriteit de beslissing om een minderjarige niet in de gelegenheid te stellen een persoonlijk onderhoud te hebben. | De beslissingsautoriteit stelt een minderjarige in de gelegenheid een persoonlijk onderhoud te hebben, ook wanneer hij overeenkomstig artikel 31, lid 6, en artikel 32, lid 1, in eigen naam een verzoek heeft gedaan, tenzij dit kennelijk niet in het belang van het kind is of wanneer de minderjarige dusdanig jong is dat een persoonlijk onderhoud niet zinvol zou zijn. In dat geval motiveert de beslissingsautoriteit de beslissing om een minderjarige niet in de gelegenheid te stellen een persoonlijk onderhoud te hebben. |
Or. en
Amendement 837
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Jean Lambert, Judith Sargentini, Bodil Valero
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De beslissingsautoriteit stelt een minderjarige in de gelegenheid een persoonlijk onderhoud te hebben, ook wanneer hij overeenkomstig artikel 31, lid 6, en artikel 32, lid 1, in eigen naam een verzoek heeft gedaan, tenzij dit kennelijk niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de beslissingsautoriteit de beslissing om een minderjarige niet in de gelegenheid te stellen een persoonlijk onderhoud te hebben. | De beslissingsautoriteit waarborgt het recht van een minderjarige om te worden gehoord en stelt een minderjarige in de gelegenheid een persoonlijk onderhoud te hebben, ook wanneer hij overeenkomstig artikel 31, lid 6, en artikel 32, lid 1, in eigen naam een verzoek heeft gedaan, tenzij dit niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de beslissingsautoriteit de beslissing om een minderjarige niet in de gelegenheid te stellen een persoonlijk onderhoud te hebben. |
Or. en
Amendement 838
Maria Grapini
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De beslissingsautoriteit stelt een minderjarige in de gelegenheid een persoonlijk onderhoud te hebben, ook wanneer hij overeenkomstig artikel 31, lid 6, en artikel 32, lid 1, in eigen naam een verzoek heeft gedaan, tenzij dit kennelijk niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de beslissingsautoriteit de beslissing om een minderjarige niet in de gelegenheid te stellen een persoonlijk onderhoud te hebben. | De beslissingsautoriteit stelt een minderjarige in de gelegenheid een persoonlijk onderhoud te hebben onder voor hem geschikte omstandigheden, ook wanneer hij overeenkomstig artikel 31, lid 6, en artikel 32, lid 1, in eigen naam een verzoek heeft gedaan, tenzij dit kennelijk niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de beslissingsautoriteit de beslissing om een minderjarige niet in de gelegenheid te stellen een persoonlijk onderhoud te hebben. |
Or. ro
Amendement 839
Anna Maria Corazza Bildt, Caterina Chinnici, Hilde Vautmans, Barbara Matera, Damiano Zoffoli, Michaela Šojdrová, Brando Benifei, Lara Comi, Carlos Coelho
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De beslissingsautoriteit stelt een minderjarige in de gelegenheid een persoonlijk onderhoud te hebben, ook wanneer hij overeenkomstig artikel 31, lid 6, en artikel 32, lid 1, in eigen naam een verzoek heeft gedaan, tenzij dit kennelijk niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de beslissingsautoriteit de beslissing om een minderjarige niet in de gelegenheid te stellen een persoonlijk onderhoud te hebben. | De beslissingsautoriteit zorgt voor een persoonlijk onderhoud met een minderjarige, ook wanneer hij overeenkomstig artikel 31, lid 6, en artikel 32, lid 1, in eigen naam een verzoek heeft gedaan, tenzij dit kennelijk niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de beslissingsautoriteit de beslissing om geen persoonlijk onderhoud met een minderjarige te hebben. |
Or. en
Amendement 840
Péter Niedermüller, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De beslissingsautoriteit stelt een minderjarige in de gelegenheid een persoonlijk onderhoud te hebben, ook wanneer hij overeenkomstig artikel 31, lid 6, en artikel 32, lid 1, in eigen naam een verzoek heeft gedaan, tenzij dit kennelijk niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de beslissingsautoriteit de beslissing om een minderjarige niet in de gelegenheid te stellen een persoonlijk onderhoud te hebben. | De beslissingsautoriteit stelt een minderjarige in de gelegenheid een persoonlijk onderhoud te hebben, ook wanneer hij overeenkomstig artikel 31, lid 6, en artikel 32, lid 1, in eigen naam een verzoek heeft gedaan, tenzij dit niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de beslissingsautoriteit de beslissing om een minderjarige niet in de gelegenheid te stellen een persoonlijk onderhoud te hebben. |
Or. en
Motivering
Het belang van het kind staat voorop. Als een persoonlijk onderhoud niet in het belang van het kind is, mag het niet plaatsvinden.
Amendement 841
Anna Maria Corazza Bildt, Caterina Chinnici, Hilde Vautmans, Barbara Matera, Damiano Zoffoli, Michaela Šojdrová, Brando Benifei, Lara Comi
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Een dergelijk onderhoud wordt gevoerd door een persoon met de nodige kennis over de rechten en bijzondere behoeften van minderjarigen en op een kindvriendelijke en context-specifieke manier. | Een dergelijk onderhoud wordt gevoerd in een taal die zij begrijpen en op een kindvriendelijke en context-specifieke manier. De persoon die het persoonlijk onderhoud voert, beschikt over de nodige kennis over de rechten en bijzondere behoeften van minderjarigen en draagt geen militair of politie-uniform. |
Or. en
Amendement 842
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Een dergelijk onderhoud wordt gevoerd door een persoon met de nodige kennis over de rechten en bijzondere behoeften van minderjarigen en op een kindvriendelijke en context-specifieke manier. | Een dergelijk onderhoud wordt gevoerd door een persoon met de nodige kennis over de rechten en specifieke behoeften van minderjarigen en op een kindvriendelijke en context-specifieke manier. |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 843
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. De beslissing over het verzoek van een minderjarige wordt voorbereid door personeel van de beslissingsautoriteit dat beschikt over de nodige kennis over de rechten en bijzondere behoeften van minderjarigen. | 3. De beslissing over het verzoek van een minderjarige wordt voorbereid door personeel van de beslissingsautoriteit dat beschikt over de nodige kennis over de rechten en specifieke behoeften van minderjarigen. |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 844
Kinga Gál
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. De beslissing over het verzoek van een minderjarige wordt voorbereid door personeel van de beslissingsautoriteit dat beschikt over de nodige kennis over de rechten en bijzondere behoeften van minderjarigen. | 3. De beslissing over het verzoek van een minderjarige wordt genomen door personeel van de beslissingsautoriteit dat beschikt over de nodige kennis over de rechten en bijzondere behoeften van minderjarigen. |
Or. hu
Amendement 845
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 3 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| 3 bis. Bij het beoordelen van het belang van het kind houden de beslissingsautoriteiten in het bijzonder voldoende rekening met de volgende factoren: |
| (a) het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, met bijzondere aandacht voor zijn etnische, religieuze, culturele en talige achtergrond en met inachtneming van de behoefte aan stabiliteit en continuïteit in de zorg en bescherming en toegang tot gezondheidszorg en onderwijs voor de minderjarige; |
| (b) veiligheid en beveiligingsoverwegingen, met name wanneer de minderjarige mogelijk het slachtoffer is van een vorm van geweld en uitbuiting, met inbegrip van mensenhandel; |
Or. en
Motivering
De Dublinverordening bevat bepalingen ter verduidelijking van de beoordeling van het belang van het kind; het zou logisch zijn om deze te weerspiegelen in het JKP.
Amendement 846
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Bijzondere waarborgen voor niet-begeleide minderjarigen | Specifieke waarborgen voor niet-begeleide minderjarigen |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 847
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De verantwoordelijke autoriteiten stellen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijf werkdagen nadat een niet-begeleide minderjarige een verzoek doet, een persoon of organisatie als voogd aan. | De verantwoordelijke autoriteiten stellen zo snel mogelijk na aankomst op het grondgebied van de Unie en uiterlijk binnen vijf werkdagen nadat een niet-begeleide minderjarige een verzoek doet, een persoon of organisatie als voogd aan. |
Or. en
Amendement 848
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De verantwoordelijke autoriteiten stellen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijf werkdagen nadat een niet-begeleide minderjarige een verzoek doet, een persoon of organisatie als voogd aan. | De verantwoordelijke autoriteiten stellen zo snel mogelijk nadat een niet-begeleide minderjarige een verzoek doet, een persoon als voogd aan. |
Or. en
Amendement 849
Alessandra Mussolini, Salvatore Domenico Pogliese
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De verantwoordelijke autoriteiten stellen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijf werkdagen nadat een niet-begeleide minderjarige een verzoek doet, een persoon of organisatie als voogd aan. | De verantwoordelijke autoriteiten stellen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijf dagen nadat een niet-begeleide minderjarige voet aan land zet op het grondgebied van de Europese Unie, een persoon of organisatie als voogd aan. |
Or. en
Amendement 850
Péter Niedermüller, Birgit Sippel, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De verantwoordelijke autoriteiten stellen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijf werkdagen nadat een niet-begeleide minderjarige een verzoek doet, een persoon of organisatie als voogd aan. | De verantwoordelijke autoriteiten nemen, nadat een niet-begeleide minderjarige een verzoek doet, maatregelen om een persoon of organisatie als voogd aan te stellen. |
Or. en
Motivering
In overeenstemming gebracht met de door het Parlement aangenomen tekst over de richtlijn opvangvoorzieningen
Amendement 851
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De verantwoordelijke autoriteiten stellen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijf werkdagen nadat een niet-begeleide minderjarige een verzoek doet, een persoon of organisatie als voogd aan. | De verantwoordelijke autoriteiten stellen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twee werkdagen nadat een niet-begeleide minderjarige een verzoek doet, een persoon of organisatie als voogd aan. |
Or. en
Amendement 852
Anna Maria Corazza Bildt, Caterina Chinnici, Hilde Vautmans, Barbara Matera, Damiano Zoffoli, Michaela Šojdrová, Brando Benifei, Lara Comi, Carlos Coelho
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De verantwoordelijke autoriteiten stellen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijf werkdagen nadat een niet-begeleide minderjarige een verzoek doet, een persoon of organisatie als voogd aan. | De verantwoordelijke autoriteiten stellen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijf dagen nadat een niet-begeleide minderjarige in de lidstaat aankomt, een persoon of organisatie als voogd aan. |
Or. en
Amendement 853
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer een organisatie als vertegenwoordiger wordt aangewezen, duidt zij een persoon aan die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de taken van een voogd. | Schrappen |
Or. en
Amendement 854
Alessandra Mussolini, Salvatore Domenico Pogliese
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer een organisatie als vertegenwoordiger wordt aangewezen, duidt zij een persoon aan die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de taken van een voogd. | Wanneer een organisatie als vertegenwoordiger wordt aangewezen, duidt zij een persoon aan die verantwoordelijk is om ten aanzien van de niet-begeleide minderjarige de taken van een voogd uit te voeren in overeenstemming met deze verordening. |
Or. en
Amendement 855
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 – alinea 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De beslissingsautoriteit stelt de niet-begeleide minderjarige onmiddellijk in kennis van de aanstelling van zijn voogd. | De beslissingsautoriteit stelt de niet-begeleide minderjarige onverwijld in kennis van de aanstelling van zijn voogd. |
Or. en
Amendement 856
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 – alinea 3 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| Procedurele termijnen mogen niet ingaan voordat een voogd is aangesteld. |
Or. en
Motivering
Het is van essentieel belang dat de minderjarige bijstand ontvangt van zijn of haar voogd en dus mogen de termijnen niet ingaan voordat de voogd de minderjarige daadwerkelijk bijstaat.
Amendement 857
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De beslissingsautoriteit stelt de voogd in kennis van alle relevante feiten, procedurele stappen en termijnen die verband houden met de niet-begeleide minderjarige. | 2. De beslissingsautoriteit stelt de voogd in kennis van alle relevante feiten, procedurele stappen en termijnen die verband houden met de niet-begeleide minderjarige. De voogd heeft voorts toegang tot de inhoud van de toepasselijke documenten in het dossier van de verzoeker, met inbegrip van de specifieke voorlichtingsmaterialen voor niet-begeleide minderjarigen. |
Or. en
Motivering
Verduidelijking om ervoor te zorgen dat de voogd toegang heeft tot alle toepasselijke informatie om de minderjarige te kunnen bijstaan; weerspiegelt bepalingen in de Dublinverordening.
Amendement 858
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De beslissingsautoriteit stelt de voogd in kennis van alle relevante feiten, procedurele stappen en termijnen die verband houden met de niet-begeleide minderjarige. | 2. De beslissingsautoriteit stelt de voogd en de minderjarige in kennis van alle relevante feiten, procedurele stappen en termijnen die verband houden met de niet-begeleide minderjarige. |
Or. en
Amendement 859
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – alinea 3 – letter a
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(a) vertegenwoordigt de voogd de niet-begeleide minderjarige en staat hij hem bij tijdens de procedures waarin deze verordening voorziet, en | (a) vertegenwoordigt de voogd de niet-begeleide minderjarige en staat hij hem bij tijdens de procedures waarin deze richtlijn voorziet, en |
Or. en
Amendement 860
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – alinea 3 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) zorgt hij ervoor dat de niet-begeleide minderjarige de rechten geniet en de verplichtingen nakomt die voor hem krachtens deze verordening gelden. | (b) zorgt hij ervoor dat de niet-begeleide minderjarige de rechten geniet en de verplichtingen nakomt die voor hem krachtens deze richtlijn gelden. |
Or. en
Amendement 861
Anna Maria Corazza Bildt, Caterina Chinnici, Hilde Vautmans, Barbara Matera, Damiano Zoffoli, Michaela Šojdrová, Brando Benifei, Lara Comi
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 4 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De voogd oefent zijn taken uit overeenkomstig het beginsel dat het belang van het kind vooropstaat, beschikt over de nodige deskundigheid en mag niet veroordeeld zijn voor delicten die met kinderen verband houden. | De voogd oefent zijn taken uit overeenkomstig het beginsel dat het belang van het kind vooropstaat, beschikt over de nodige kwalificaties en deskundigheid en ontvangt daartoe een doorlopende en passende opleiding, en heeft geen aantoonbare antecedenten van strafbare feiten, met name in verband met kinderen. Na zijn benoeming controleren de bevoegde autoriteiten regelmatig of de voogd een strafblad heeft, om mogelijke strijdigheden met zijn rol te identificeren. |
Or. en
Amendement 862
Péter Niedermüller, Birgit Sippel, Josef Weidenholzer, Ana Gomes, Kati Piri
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 4 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De voogd oefent zijn taken uit overeenkomstig het beginsel dat het belang van het kind vooropstaat, beschikt over de nodige deskundigheid en mag niet veroordeeld zijn voor delicten die met kinderen verband houden. | De voogd oefent zijn taken uit overeenkomstig het beginsel dat het belang van het kind vooropstaat, beschikt over de nodige kwalificaties en deskundigheid en heeft geen aantoonbare antecedenten van strafbare feiten, met name in verband met kinderen. De verantwoordelijke autoriteiten controleren regelmatig of de aangewezen voogden een strafblad hebben, om mogelijke strijdigheden met hun rol te identificeren. |
Or. en
Motivering
In overeenstemming gebracht met de door het Parlement aangenomen tekst over de richtlijn opvangvoorzieningen
Amendement 863
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Jean Lambert, Judith Sargentini, Bodil Valero
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 4 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De voogd oefent zijn taken uit overeenkomstig het beginsel dat het belang van het kind vooropstaat, beschikt over de nodige deskundigheid en mag niet veroordeeld zijn voor delicten die met kinderen verband houden. | De voogd oefent zijn taken uit overeenkomstig het beginsel dat het belang van het kind vooropstaat, is onafhankelijkheid en beschikt over de nodige kwalificaties en deskundigheid en mag niet veroordeeld zijn voor delicten. Voogden krijgen regelmatig opleiding om hun taken te vervullen. |
Or. en
Amendement 864
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 4 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De persoon die als voogd optreedt, wordt alleen vervangen wanneer de verantwoordelijke autoriteiten van oordeel zijn dat hij zijn taken als voogd niet naar behoren heeft uitgevoerd. Organisaties waarvan of personen van wie de belangen in conflict komen of kunnen komen met het belang van de niet-begeleide minderjarige, worden niet als voogd aangesteld. | De persoon die als voogd optreedt, wordt alleen vervangen wanneer de verantwoordelijke autoriteiten van oordeel zijn dat hij zijn taken als voogd niet naar behoren heeft uitgevoerd. Personen van wie de belangen in conflict komen of kunnen komen met het belang van de niet-begeleide minderjarige, worden niet als voogd aangesteld. |
Or. en
Amendement 865
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 5 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De verantwoordelijke autoriteiten geven een voogd niet tegelijkertijd de verantwoordelijkheid voor een onevenredig groot aantal niet-begeleide minderjarigen, wanneer hij anders niet meer in staat zou zijn zijn taken doeltreffend uit te voeren. | De verantwoordelijke autoriteiten zorgen ervoor dat een voogd niet tegelijkertijd wordt aangewezen voor een onevenredig groot aantal niet-begeleide minderjarigen, in elk geval niet voor meer dan 20 kinderen, zodat hij zijn taken doeltreffend kan uitvoeren. |
Or. en
Amendement 866
Alessandra Mussolini, Salvatore Domenico Pogliese
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 5 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De verantwoordelijke autoriteiten geven een voogd niet tegelijkertijd de verantwoordelijkheid voor een onevenredig groot aantal niet-begeleide minderjarigen, wanneer hij anders niet meer in staat zou zijn zijn taken doeltreffend uit te voeren. | De verantwoordelijke autoriteiten geven een voogd niet tegelijkertijd de verantwoordelijkheid voor een onevenredig groot aantal niet-begeleide minderjarigen, en in elk geval niet voor meer dan 20 kinderen, wanneer hij anders niet meer in staat zou zijn zijn taken doeltreffend uit te voeren. |
Or. en
Amendement 867
Péter Niedermüller, Marju Lauristin, Birgit Sippel, Caterina Chinnici, Kati Piri, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 5 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De verantwoordelijke autoriteiten geven een voogd niet tegelijkertijd de verantwoordelijkheid voor een onevenredig groot aantal niet-begeleide minderjarigen, wanneer hij anders niet meer in staat zou zijn zijn taken doeltreffend uit te voeren. | De verantwoordelijke autoriteiten geven een voogd niet tegelijkertijd de verantwoordelijkheid voor een onevenredig groot aantal niet-begeleide minderjarigen, en in elk geval niet voor meer dan twintig kinderen, wanneer hij anders niet meer in staat zou zijn zijn taken doeltreffend uit te voeren. |
Or. en
Motivering
In overeenstemming gebracht met de door het Parlement aangenomen tekst over de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 868
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 5 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De verantwoordelijke autoriteiten geven een voogd niet tegelijkertijd de verantwoordelijkheid voor een onevenredig groot aantal niet-begeleide minderjarigen, wanneer hij anders niet meer in staat zou zijn zijn taken doeltreffend uit te voeren. | De verantwoordelijke autoriteiten geven een voogd niet tegelijkertijd de verantwoordelijkheid voor een onevenredig groot aantal niet-begeleide minderjarigen, en in elk geval niet voor meer dan tien kinderen, wanneer hij anders niet meer in staat zou zijn zijn taken doeltreffend uit te voeren. |
Or. en
Amendement 869
Anna Maria Corazza Bildt, Caterina Chinnici, Hilde Vautmans, Barbara Matera, Damiano Zoffoli, Michaela Šojdrová, Brando Benifei, Lara Comi, Carlos Coelho
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 5 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De verantwoordelijke autoriteiten geven een voogd niet tegelijkertijd de verantwoordelijkheid voor een onevenredig groot aantal niet-begeleide minderjarigen, wanneer hij anders niet meer in staat zou zijn zijn taken doeltreffend uit te voeren. | De verantwoordelijke autoriteiten geven een voogd tegelijkertijd de verantwoordelijkheid voor een passend en beperkt aantal niet-begeleide minderjarigen, zodat hij zijn taken doeltreffend kan uitvoeren. |
Or. en
Amendement 870
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 5 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Lidstaten wijzen instanties of personen aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de taken van voogden en die de verantwoordelijkheid hebben om er regelmatig op toe te zien dat voogden hun taken naar behoren uitoefenen. Deze entiteiten of personen beoordelen de klachten die door niet-begeleide minderjarigen tegen hun voogd zijn ingediend. | De lidstaten wijzen instanties of personen aan die tot taak hebben regelmatig erop toe te zien dat voogden hun taken naar behoren uitoefenen. Deze entiteiten of personen zijn ook bevoegd om de klachten die door niet-begeleide minderjarigen tegen hun voogd zijn ingediend, te beoordelen. Niet-begeleide minderjarigen worden hiertoe in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal, zowel mondeling als in visuele vorm, op een kindvriendelijke manier en in een taal die zij begrijpen, van informatie voorzien over wie deze organisaties of personen zijn en hoe zij vertrouwelijk en veilig klachten kunnen indienen tegen hun voogd. |
Or. en
Amendement 871
Anna Maria Corazza Bildt, Caterina Chinnici, Hilde Vautmans, Barbara Matera, Damiano Zoffoli, Michaela Šojdrová, Brando Benifei, Lara Comi, Barbara Kudrycka, Carlos Coelho
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 5 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Lidstaten wijzen instanties of personen aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de taken van voogden en die de verantwoordelijkheid hebben om er regelmatig op toe te zien dat voogden hun taken naar behoren uitoefenen. Deze entiteiten of personen beoordelen de klachten die door niet-begeleide minderjarigen tegen hun voogd zijn ingediend. | Lidstaten wijzen instanties of personen aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de taken van voogden en die de verantwoordelijkheid hebben om er regelmatig op toe te zien dat voogden hun taken naar behoren uitoefenen. Deze entiteiten of personen beoordelen de klachten die door niet-begeleide minderjarigen tegen hun voogd zijn ingediend. |
Or. en
Amendement 872
Alessandra Mussolini, Salvatore Domenico Pogliese
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 5 – alinea 2 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| De verantwoordelijke entiteiten of personen voeren tijdens de eerste maand na zijn aanstelling, en vervolgens geregeld, een beoordeling uit van de prestaties van de voogd. |
Or. en
Amendement 873
Péter Niedermüller, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 6
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
6. De voogd informeert de niet-begeleide minderjarige over de betekenis en de mogelijke gevolgen van het persoonlijk onderhoud en, indien nodig, over de wijze waarop hij zich op het persoonlijk onderhoud dient voor te bereiden. De voogd en, in voorkomend geval, een juridisch adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten, is bij dat onderhoud aanwezig en heeft de gelegenheid vragen te stellen en opmerkingen te maken, binnen het kader dat wordt bepaald door de persoon die het onderhoud voert. De beslissingsautoriteit kan verlangen dat de niet-begeleide minderjarige bij het persoonlijk onderhoud aanwezig is, zelfs als de voogd aanwezig is. | 6. De voogd informeert de niet-begeleide minderjarige over de betekenis en de mogelijke gevolgen van het persoonlijk onderhoud en, indien nodig, over de wijze waarop hij zich op het persoonlijk onderhoud dient voor te bereiden. De voogd en een juridisch adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten, is bij dat onderhoud aanwezig en heeft de gelegenheid vragen te stellen en opmerkingen te maken, binnen het kader dat wordt bepaald door de persoon die het onderhoud voert. De beslissingsautoriteit kan verlangen dat de niet-begeleide minderjarige bij het persoonlijk onderhoud aanwezig is, zelfs als de voogd aanwezig is. |
Or. en
Motivering
Het recht van de advocaat om aanwezig te zijn, is vastgelegd in artikel 16, lid 4. Dit recht mag niet worden ingeperkt door de aanstelling van een voogd.
Amendement 874
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Medisch onderzoek | Medisch en psychologisch onderzoek |
Or. en
Amendement 875
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Wanneer de beslissingsautoriteit dit voor de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig Verordening (EU) XXX/XXX (verordening asielnormen) relevant acht, en mits de verzoeker daarmee instemt, regelt zij een medisch onderzoek van de verzoeker inzake tekenen en symptomen die kunnen wijzen op vroegere vervolging of ernstige schade. | 1. De verzoeker kan instemmen met een medisch en psychologisch onderzoek inzake tekenen en symptomen die kunnen wijzen op vervolging, ernstig letsel, onmenselijke behandeling. |
Or. en
Amendement 876
Beatrix von Storch
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. Het medisch onderzoek wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars. De lidstaten kunnen de medische beroepsbeoefenaars aanwijzen die deze medische onderzoeken mogen verrichten. Deze medische onderzoeken worden betaald uit overheidsmiddelen. | 2. Het medisch onderzoek wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars. De lidstaten kunnen de medische beroepsbeoefenaars aanwijzen die deze medische onderzoeken mogen verrichten. Deze medische onderzoeken worden betaald uit overheidsmiddelen, tenzij de verzoeker zelf over voldoende middelen beschikt. |
Or. en
Amendement 877
Elissavet Vozemberg-Vrionidi
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. Het medisch onderzoek wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars. De lidstaten kunnen de medische beroepsbeoefenaars aanwijzen die deze medische onderzoeken mogen verrichten. Deze medische onderzoeken worden betaald uit overheidsmiddelen. | 2. Het medisch onderzoek wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars. De lidstaten kunnen de medische beroepsbeoefenaars aanwijzen die deze medische onderzoeken mogen verrichten. Deze medische onderzoeken worden voor de verzoeker kosteloos uitgevoerd. |
Or. en
Motivering
In sommige lidstaten is dit niet geregeld in het nationale recht.
Amendement 878
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. Het medisch onderzoek wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars. De lidstaten kunnen de medische beroepsbeoefenaars aanwijzen die deze medische onderzoeken mogen verrichten. Deze medische onderzoeken worden betaald uit overheidsmiddelen. | 2. Het medisch en psychologisch onderzoek wordt verricht door gekwalificeerde beroepsbeoefenaars. De lidstaten kunnen de beroepsbeoefenaars aanwijzen die deze onderzoeken mogen verrichten. Deze onderzoeken worden betaald uit overheidsmiddelen. |
Or. en
Amendement 879
Miltiadis Kyrkos
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. Het medisch onderzoek wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars. De lidstaten kunnen de medische beroepsbeoefenaars aanwijzen die deze medische onderzoeken mogen verrichten. Deze medische onderzoeken worden betaald uit overheidsmiddelen. | 2. Het medisch onderzoek wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars. De lidstaten kunnen de medische beroepsbeoefenaars aanwijzen die deze medische onderzoeken mogen verrichten. Deze medische onderzoeken zijn gratis. |
Or. en
Amendement 880
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer er geen medisch onderzoek overeenkomstig lid 1 wordt verricht, stelt de beslissingsautoriteit verzoekers ervan in kennis dat zij op eigen initiatief en kosten een medisch onderzoek kunnen regelen betreffende tekenen en symptomen die kunnen wijzen op vroegere vervolging of ernstige schade. | Schrappen |
Or. en
Amendement 881
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De resultaten van het medisch onderzoek worden zo snel mogelijk voorgelegd aan de beslissingsautoriteit, die deze samen met de andere elementen van het verzoek beoordeelt. | 4. De resultaten van het medisch onderzoek worden zo snel mogelijk voorgelegd aan de beslissingsautoriteit en de verzoeker, waarop de beslissingsautoriteit deze samen met de andere elementen van het verzoek beoordeelt. |
Or. en
Amendement 882
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. De weigering van een verzoeker om een medisch onderzoek te ondergaan, belet de beslissingsautoriteit niet een beslissing over het verzoek om internationale bescherming te nemen. | 5. Het medisch onderzoek wordt gebruikt als laatste redmiddel en de beslissingsautoriteit motiveert de beslissing schriftelijk. |
Or. en
Amendement 883
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Medisch onderzoek van niet-begeleide minderjarigen | Medisch en psychosociaal onderzoek van niet-begeleide minderjarigen |
Or. en
Amendement 884
Péter Niedermüller, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Medisch onderzoek van niet-begeleide minderjarigen | Onderzoek van niet-begeleide minderjarigen |
Or. en
Amendement 885
Monika Hohlmeier, Heinz K. Becker
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Medisch onderzoek van niet-begeleide minderjarigen | Leeftijdsbepaling van minderjarigen |
Or. en
Amendement 886
Anna Maria Corazza Bildt, Caterina Chinnici, Hilde Vautmans, Barbara Matera, Damiano Zoffoli, Michaela Šojdrová, Brando Benifei, Lara Comi, Carlos Coelho
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Medische onderzoeken kunnen worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker of andere relevante aanwijzingen, met inbegrip van een psychosociale beoordeling, twijfel bestaat over de vraag of de verzoeker jonger is dan achttien jaar. Wanneer het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. | 1. Medische onderzoeken kunnen als laatste redmiddel worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker of andere relevante aanwijzingen, met inbegrip van een psychosociale beoordeling, redenen voor ernstige twijfel bestaan over de vraag of de verzoeker jonger is dan achttien jaar, en het de betreffende lidstaat niet mogelijk is gebleken de leeftijd van de verzoeker op een andere manier aan te tonen, bijvoorbeeld aan de hand van documentaire bewijsstukken en andere procedures voor leeftijdsbepaling. Wanneer het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. |
Or. en
Amendement 887
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Medische onderzoeken kunnen worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker of andere relevante aanwijzingen, met inbegrip van een psychosociale beoordeling, twijfel bestaat over de vraag of de verzoeker jonger is dan achttien jaar. Wanneer het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. | 1. Wanneer op basis van de verklaringen van de verzoeker of documentaire bewijsstukken die voorhanden zijn twijfel bestaat over de vraag of een niet-begeleide minderjarige jonger is dan achttien jaar, kunnen de beslissingsautoriteiten opdracht geven tot een psychosociale beoordeling die moet worden uitgevoerd door gekwalificeerde beroepsbeoefenaars, om in het kader van de behandeling van een verzoek de leeftijd van de verzoeker te bepalen. |
Or. en
Amendement 888
Beatrix von Storch
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Medische onderzoeken kunnen worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker of andere relevante aanwijzingen, met inbegrip van een psychosociale beoordeling, twijfel bestaat over de vraag of de verzoeker jonger is dan achttien jaar. Wanneer het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. | 1. Medische onderzoeken kunnen worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker of andere relevante aanwijzingen, met inbegrip van een psychosociale beoordeling, twijfel bestaat over de vraag of de verzoeker jonger is dan achttien jaar. |
Or. en
Amendement 889
Elly Schlein
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Medische onderzoeken kunnen worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker of andere relevante aanwijzingen, met inbegrip van een psychosociale beoordeling, twijfel bestaat over de vraag of de verzoeker jonger is dan achttien jaar. Wanneer het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. | 1. Medische onderzoeken kunnen worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker of andere relevante aanwijzingen, met inbegrip van een psychosociale beoordeling, twijfel bestaat over de vraag of de verzoeker jonger is dan achttien jaar. Wanneer het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. De verzoeker heeft het recht op een doeltreffende voorziening in rechte tegen een beslissing over leeftijdsbepaling. |
Or. en
Amendement 890
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Medische onderzoeken kunnen worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker of andere relevante aanwijzingen, met inbegrip van een psychosociale beoordeling, twijfel bestaat over de vraag of de verzoeker jonger is dan achttien jaar. Wanneer het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. | 1. Medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker of andere relevante aanwijzingen, met inbegrip van een lichamelijk onderzoek en psychosociale beoordeling, twijfel bestaat over de vraag of de verzoeker jonger is dan achttien jaar. Wanneer het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. |
Or. en
Amendement 891
Monika Hohlmeier, Heinz K. Becker
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Medische onderzoeken kunnen worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker of andere relevante aanwijzingen, met inbegrip van een psychosociale beoordeling, twijfel bestaat over de vraag of de verzoeker jonger is dan achttien jaar. Wanneer het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. | 1. Medische onderzoeken kunnen als standaardprocedure worden gebruikt om de leeftijd van minderjarigen te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker of andere relevante aanwijzingen, met inbegrip van een psychosociale beoordeling, twijfel bestaat over de vraag of de verzoeker jonger is dan achttien jaar. Wanneer het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. |
Or. en
Amendement 892
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Jean Lambert, Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Medische onderzoeken kunnen worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker of andere relevante aanwijzingen, met inbegrip van een psychosociale beoordeling, twijfel bestaat over de vraag of de verzoeker jonger is dan achttien jaar. Wanneer het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. | 1. Wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker, documentaire bewijsstukken die voorhanden zijn of andere relevante aanwijzingen, twijfel bestaat over de vraag of een niet-begeleide minderjarige jonger is dan achttien jaar, kunnen de lidstaten opdracht geven tot een psychosociale beoordeling door gekwalificeerde beroepsbeoefenaars om in het kader van de behandeling van een verzoek de leeftijd van de verzoeker te bepalen. De beoordeling van de leeftijd mag niet uitsluitend gebaseerd zijn op het fysieke voorkomen of het gedrag van de verzoeker. |
Or. en
Amendement 893
Péter Niedermüller, Marju Lauristin, Caterina Chinnici, Ana Gomes, Josef Weidenholzer
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Medische onderzoeken kunnen worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker of andere relevante aanwijzingen, met inbegrip van een psychosociale beoordeling, twijfel bestaat over de vraag of de verzoeker jonger is dan achttien jaar. Wanneer het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. | 1. Wanneer er, naar aanleiding van verklaringen van de verzoeker, documentaire bewijsstukken die voorhanden zijn of andere relevante aanwijzingen, twijfel bestaat over de vraag of een niet-begeleide minderjarige jonger is dan achttien jaar, kunnen de lidstaten opdracht geven tot een psychosociale beoordeling door gekwalificeerde beroepsbeoefenaars om in het kader van de behandeling van een verzoek de leeftijd van de verzoeker te bepalen. De beoordeling van de leeftijd mag niet uitsluitend gebaseerd zijn op het fysieke voorkomen of het gedrag van de verzoeker. |
Or. en
Motivering
Het medisch onderzoek moet als laatste redmiddel worden ingezet om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen.
Amendement 894
Péter Niedermüller, Birgit Sippel, Marju Lauristin, Caterina Chinnici, Ana Gomes, Josef Weidenholzer
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| 1 bis. Wanneer er na de in lid 1 vastgestelde procedure twijfel blijft over de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige, kunnen medische onderzoeken als laatste redmiddel worden gebruikt om de leeftijd van de niet-begeleide minderjarige te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek. Wanneer, rekening houdend met de foutmarge van de gehanteerde methode, het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. |
Or. en
Motivering
Het voordeel van de twijfel dient altijd uit te gaan naar de minderjarige.
Amendement 895
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Jean Lambert, Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| 1 bis. Wanneer er na de in lid 1 vastgestelde procedure twijfel blijft over de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige, kunnen medische onderzoeken als laatste redmiddel worden gebruikt om de leeftijd van de niet-begeleide minderjarige te bepalen in het kader van de behandeling van een verzoek. Wanneer het resultaat van het medisch onderzoek geen uitsluitsel biedt of een leeftijdscategorie onder achttien jaar oplevert, nemen de lidstaten aan dat de verzoeker minderjarig is. |
Or. en
Amendement 896
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| 1 bis. Alle medische onderzoeken in het kader van lid 1 zijn gebaseerd op wetenschappelijk bewezen methoden. |
Or. en
Motivering
Het is van belang erop toe te zien dat medische onderzoeken voor het bepalen van de leeftijd van een minderjarige zijn gebaseerd op wetenschappelijk bewezen methoden.
Amendement 897
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini, Jean Lambert
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. Het medisch onderzoek om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, vindt niet plaats zonder hun toestemming of die van hun voogd. | 2. Het medisch onderzoek om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, vindt niet plaats zonder hun toestemming en die van hun voogd. |
Or. en
Amendement 898
Monika Hohlmeier, Heinz K. Becker
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. Het medisch onderzoek om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, vindt niet plaats zonder hun toestemming of die van hun voogd. | 2. Het medisch onderzoek om de leeftijd van minderjarigen te bepalen, vindt niet plaats zonder hun toestemming of die van hun voogd. |
Or. en
Amendement 899
Monika Hohlmeier, Heinz K. Becker
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 2 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| 2 bis. Als laatste redmiddel en onder uitzonderlijke omstandigheden kunnen medische onderzoeken gedwongen worden opgelegd. |
Or. en
Amendement 900
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Elk medisch onderzoek wordt verricht met volledige eerbiediging van de waardigheid van het individu, is het minst ingrijpende onderzoek en wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars, die een zo betrouwbaar mogelijk resultaat waarborgen. | 3. Elk medisch onderzoek wordt verricht met volledige eerbiediging van de waardigheid van het individu, is het minst ingrijpende onderzoek en wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars, die een zo betrouwbaar mogelijk resultaat waarborgen en de foutmarge van de gehanteerde methode schriftelijk vastleggen. |
Or. en
Amendement 901
Anna Maria Corazza Bildt, Caterina Chinnici, Hilde Vautmans, Barbara Matera, Damiano Zoffoli, Michaela Šojdrová, Brando Benifei, Lara Comi, Carlos Coelho
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Elk medisch onderzoek wordt verricht met volledige eerbiediging van de waardigheid van het individu, is het minst ingrijpende onderzoek en wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars, die een zo betrouwbaar mogelijk resultaat waarborgen. | 3. Elk medisch onderzoek wordt verricht met volledige eerbiediging van de waardigheid van het individu, is het minst ingrijpende onderzoek en wordt verricht door onafhankelijke, goed opgeleide en gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars, die bekend zijn met de etnische en culturele achtergrond van de verzoeker, samenwerken met een multidisciplinair team met kennis van de rechten van kinderen en kinderpsychologie en -ontwikkeling en aldus een zo betrouwbaar mogelijk resultaat waarborgen. |
Or. en
Amendement 902
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Elk medisch onderzoek wordt verricht met volledige eerbiediging van de waardigheid van het individu, is het minst ingrijpende onderzoek en wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars, die een zo betrouwbaar mogelijk resultaat waarborgen. | 3. Elk medisch onderzoek wordt verricht met volledige eerbiediging van de waardigheid van het individu door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars, die een zo betrouwbaar mogelijk resultaat waarborgen. |
Or. en
Amendement 903
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Wanneer medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat niet-begeleide minderjarigen vóór de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en in een taal die zij begrijpen of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij deze begrijpen, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat hun leeftijd door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, alsook over de mogelijkheid en de gevolgen van een weigering van de niet-begeleide minderjarige of van zijn voogd om het medisch onderzoek te laten uitvoeren. | 4. Niet-begeleide minderjarigen hebben het recht op een doeltreffende voorziening in rechte tegen een beslissing over de bepaling van hun leeftijd. |
Or. en
Amendement 904
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Jean Lambert, Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Wanneer medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat niet-begeleide minderjarigen vóór de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en in een taal die zij begrijpen of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij deze begrijpen, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat hun leeftijd door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, alsook over de mogelijkheid en de gevolgen van een weigering van de niet-begeleide minderjarige of van zijn voogd om het medisch onderzoek te laten uitvoeren. | 4. Wanneer medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat niet-begeleide minderjarigen vóór de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en in een taal die zij begrijpen, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat hun leeftijd door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, met inbegrip van het recht in beroep te gaan tegen de uit het medisch onderzoek volgende beslissing, alsook over de mogelijkheid en de gevolgen van een weigering van de niet-begeleide minderjarige of van zijn voogd om het medisch onderzoek te laten uitvoeren. Alle documenten in verband met het medisch onderzoek worden opgenomen in het dossier van de verzoeker. |
Or. en
Amendement 905
Péter Niedermüller, Marju Lauristin, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Wanneer medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat niet-begeleide minderjarigen vóór de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en in een taal die zij begrijpen of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij deze begrijpen, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat hun leeftijd door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, alsook over de mogelijkheid en de gevolgen van een weigering van de niet-begeleide minderjarige of van zijn voogd om het medisch onderzoek te laten uitvoeren. | 4. Wanneer medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat niet-begeleide minderjarigen vóór de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en in een taal die zij begrijpen, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat hun leeftijd door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, met inbegrip van het recht in beroep te gaan tegen de uit het medisch onderzoek volgende beslissing, alsook over de mogelijkheid en de gevolgen van een weigering van de niet-begeleide minderjarige of van zijn voogd om het medisch onderzoek te laten uitvoeren. Alle documenten in verband met het medisch onderzoek worden opgenomen in het dossier van de verzoeker. |
Or. en
Amendement 906
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Wanneer medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat niet-begeleide minderjarigen vóór de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en in een taal die zij begrijpen of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij deze begrijpen, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat hun leeftijd door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, alsook over de mogelijkheid en de gevolgen van een weigering van de niet-begeleide minderjarige of van zijn voogd om het medisch onderzoek te laten uitvoeren. | 4. De beslissingsautoriteit zorgt ervoor dat niet-begeleide minderjarigen vóór de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en in een taal die zij begrijpen of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij deze begrijpen, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat hun leeftijd door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, alsook over de gevolgen van een weigering van de niet-begeleide minderjarige of van zijn voogd om het medisch onderzoek te laten uitvoeren. |
Or. en
Amendement 907
Monika Hohlmeier, Heinz K. Becker
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Wanneer medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat niet-begeleide minderjarigen vóór de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en in een taal die zij begrijpen of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij deze begrijpen, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat hun leeftijd door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, alsook over de mogelijkheid en de gevolgen van een weigering van de niet-begeleide minderjarige of van zijn voogd om het medisch onderzoek te laten uitvoeren. | 4. Wanneer medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat niet-begeleide minderjarigen vóór de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en in een taal die zij begrijpen of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij deze begrijpen, en zo mogelijk in eenvoudige taal, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat hun leeftijd door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, alsook over de mogelijkheid en de gevolgen van een weigering van de niet-begeleide minderjarige of van zijn voogd om het medisch onderzoek te laten uitvoeren. |
Or. en
Amendement 908
Anna Maria Corazza Bildt, Caterina Chinnici, Hilde Vautmans, Barbara Matera, Damiano Zoffoli, Michaela Šojdrová, Brando Benifei, Lara Comi, Barbara Kudrycka, Carlos Coelho
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Wanneer medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat niet-begeleide minderjarigen vóór de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en in een taal die zij begrijpen of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij deze begrijpen, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat hun leeftijd door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, alsook over de mogelijkheid en de gevolgen van een weigering van de niet-begeleide minderjarige of van zijn voogd om het medisch onderzoek te laten uitvoeren. | 4. Wanneer medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat niet-begeleide minderjarigen vóór de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming, in een taal die zij begrijpen en op een kindvriendelijke, leeftijdsspecifieke manier, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat hun leeftijd door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, alsook over de mogelijkheid en de gevolgen van een weigering van de niet-begeleide minderjarige of van zijn voogd om het medisch onderzoek te laten uitvoeren. |
Or. en
Amendement 909
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Wanneer medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat niet-begeleide minderjarigen vóór de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en in een taal die zij begrijpen of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij deze begrijpen, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat hun leeftijd door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, alsook over de mogelijkheid en de gevolgen van een weigering van de niet-begeleide minderjarige of van zijn voogd om het medisch onderzoek te laten uitvoeren. | 4. Wanneer medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat niet-begeleide minderjarigen vóór de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en in een taal die zij begrijpen, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat hun leeftijd door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, alsook over de mogelijkheid en de gevolgen van een weigering van de niet-begeleide minderjarige of van zijn voogd om het medisch onderzoek te laten uitvoeren. |
Or. en
Motivering
Verduidelijking ter verbetering van de informatieverstrekking.
Amendement 910
Monika Hohlmeier, Heinz K. Becker
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 4 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| 4 bis. Wanneer medische onderzoeken worden gebruikt om de leeftijd van begeleide minderjarigen te bepalen, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat de meerderjarige vergezellende gezinsleden vóór de behandeling van het verzoek door de minderjarige om internationale bescherming en in een taal die zij begrijpen of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij deze begrijpen, en zo mogelijk in eenvoudige taal, in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat de leeftijd van de begeleide minderjarige door een medisch onderzoek zal worden bepaald. Het gaat daarbij onder meer om informatie over de onderzoeksmethode en over mogelijke gevolgen van het resultaat van het medisch onderzoek voor de behandeling van het verzoek, alsook over de mogelijkheid en de gevolgen van een weigering van de meerderjarige vergezellende gezinsleden om het medisch onderzoek met betrekking tot de minderjarige te laten uitvoeren. |
Or. en
Amendement 911
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. De weigering van niet-begeleide minderjarigen of hun voogden om een medisch onderzoek te laten uitvoeren, kan alleen worden opgevat als een weerlegbaar vermoeden dat de verzoeker niet minderjarig is en belet de beslissingsautoriteit niet een beslissing over het verzoek om internationale bescherming te nemen. | Schrappen |
Or. en
Amendement 912
Monika Hohlmeier, Heinz K. Becker
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. De weigering van niet-begeleide minderjarigen of hun voogden om een medisch onderzoek te laten uitvoeren, kan alleen worden opgevat als een weerlegbaar vermoeden dat de verzoeker niet minderjarig is en belet de beslissingsautoriteit niet een beslissing over het verzoek om internationale bescherming te nemen. | 5. De weigering van niet-begeleide minderjarigen of hun voogden, dan wel van de volwassenen die de minderjarigen vergezellen, om een medisch onderzoek te laten uitvoeren, wordt opgevat als een vermoeden dat de verzoeker niet minderjarig is en belet de beslissingsautoriteit niet een beslissing over het verzoek om internationale bescherming te nemen. Een weigering in te stemmen met het uitvoeren van een medisch onderzoek kan bovendien worden beschouwd als een weigering samen te werken door niet de informatie mee te delen die noodzakelijk is om het verzoek te behandelen. |
Or. en
Amendement 913
Péter Niedermüller, Birgit Sippel, Marju Lauristin, Josef Weidenholzer, Ana Gomes, Caterina Chinnici
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. De weigering van niet-begeleide minderjarigen of hun voogden om een medisch onderzoek te laten uitvoeren, kan alleen worden opgevat als een weerlegbaar vermoeden dat de verzoeker niet minderjarig is en belet de beslissingsautoriteit niet een beslissing over het verzoek om internationale bescherming te nemen. | 5. De weigering van niet-begeleide minderjarigen of hun voogden om een medisch onderzoek te laten uitvoeren, mag niet leiden tot het vermoeden dat de verzoeker niet minderjarig is. Een weigering om een medisch onderzoek te laten uitvoeren, belet de beslissingsautoriteit niet een beslissing over het verzoek om internationale bescherming te nemen, hoewel een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming van een niet-begeleide minderjarige die weigerde een medisch onderzoek te laten uitvoeren, niet uitsluitend op die weigering mag zijn gebaseerd. |
Or. en
Motivering
De tekst is in overeenstemming gebracht met de bestaande richtlijn asielprocedures. Er mogen met name geen aannames worden gedaan ten aanzien van de leeftijd van een verzoeker op basis van zijn weigering een medisch onderzoek te ondergaan. De weigering een medisch onderzoek te ondergaan, mag bovendien nooit de basis vormen voor een beslissing een verzoek om internationale bescherming af te wijzen.
Amendement 914
Beatrix von Storch
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. De weigering van niet-begeleide minderjarigen of hun voogden om een medisch onderzoek te laten uitvoeren, kan alleen worden opgevat als een weerlegbaar vermoeden dat de verzoeker niet minderjarig is en belet de beslissingsautoriteit niet een beslissing over het verzoek om internationale bescherming te nemen. | 5. De weigering van niet-begeleide minderjarigen of hun voogden om een medisch onderzoek te laten uitvoeren, kan worden opgevat als een weerlegbaar vermoeden dat de verzoeker niet minderjarig is en belet de beslissingsautoriteit niet een beslissing over het verzoek om internationale bescherming te nemen. |
Or. en
Amendement 915
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini, Jean Lambert
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. De weigering van niet-begeleide minderjarigen of hun voogden om een medisch onderzoek te laten uitvoeren, kan alleen worden opgevat als een weerlegbaar vermoeden dat de verzoeker niet minderjarig is en belet de beslissingsautoriteit niet een beslissing over het verzoek om internationale bescherming te nemen. | 5. De weigering van niet-begeleide minderjarigen of hun voogden om een medisch onderzoek te laten uitvoeren, kan alleen worden opgevat als een weerlegbaar vermoeden dat de verzoeker niet minderjarig is en mag niet de enige reden zijn om een verzoek om internationale bescherming af te wijzen. |
Or. en
Amendement 916
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Jean Lambert, Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 5 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| 5 bis. Niet-begeleide minderjarigen hebben het recht op een doeltreffende voorziening in rechte tegen een beslissing over de bepaling van hun leeftijd. |
Or. en
Amendement 917
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 6
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
6. Een lidstaat erkent beslissingen over leeftijdsbepaling die andere lidstaten hebben genomen op de basis van een medisch onderzoek dat overeenkomstig dit artikel is verricht en is gebaseerd op methoden die krachtens zijn nationale recht worden erkend. | Schrappen |
Or. en
Amendement 918
Monika Hohlmeier, Heinz K. Becker
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 6
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
6. Een lidstaat erkent beslissingen over leeftijdsbepaling die andere lidstaten hebben genomen op de basis van een medisch onderzoek dat overeenkomstig dit artikel is verricht en is gebaseerd op methoden die krachtens zijn nationale recht worden erkend. | 6. Een lidstaat kan beslissingen over leeftijdsbepaling erkennen die andere lidstaten hebben genomen op de basis van een medisch onderzoek dat overeenkomstig dit artikel is verricht en is gebaseerd op methoden die krachtens zijn nationale recht worden erkend. |
Or. en
Amendement 919
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Een verzoek om internationale bescherming doen | Een verzoek om internationale bescherming doen en registreren |
Or. en
Amendement 920
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Een verzoek om internationale bescherming wordt gedaan wanneer een onderdaan van een derde land of een staatloze aan functionarissen van de beslissingsautoriteit of andere autoriteiten zoals bedoeld in artikel 5, lid 3 of 4, te kennen geeft internationale bescherming te wensen. | Een verzoek om internationale bescherming wordt gedaan wanneer een onderdaan van een derde land of een staatloze aan een van onderstaande instanties te kennen geeft internationale bescherming te wensen: |
Or. en
Amendement 921
Miltiadis Kyrkos
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Een verzoek om internationale bescherming wordt gedaan wanneer een onderdaan van een derde land of een staatloze aan functionarissen van de beslissingsautoriteit of andere autoriteiten zoals bedoeld in artikel 5, lid 3 of 4, te kennen geeft internationale bescherming te wensen. | Een verzoek om internationale bescherming wordt gedaan wanneer een onderdaan van een derde land of een staatloze aan functionarissen van de beslissingsautoriteit of andere autoriteiten zoals bedoeld in artikel 5, lid 3 of 4, mondeling of in schriftelijke vorm te kennen geeft internationale bescherming te wensen of aangeeft niet te willen worden uitgewezen of teruggekeerd naar een derde land uit vrees voor vervolging of ernstige schade. |
Or. en
Amendement 922
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Een verzoek om internationale bescherming wordt gedaan wanneer een onderdaan van een derde land of een staatloze aan functionarissen van de beslissingsautoriteit of andere autoriteiten zoals bedoeld in artikel 5, lid 3 of 4, te kennen geeft internationale bescherming te wensen. | Een verzoek om internationale bescherming wordt geacht te zijn gedaan wanneer een onderdaan van een derde land of een staatloze aan functionarissen van de beslissingsautoriteit of andere autoriteiten zoals bedoeld in artikel 5, lid 3 of 4, te kennen geeft internationale bescherming te wensen. |
Or. en
Amendement 923
Miltiadis Kyrkos
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer deze functionarissen twijfelen of een bepaalde verklaring als een verzoek moet worden opgevat, vragen zij de betrokkene uitdrukkelijk of hij internationale bescherming wenst. | Schrappen |
Or. en
Amendement 924
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 2 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| 2 bis. De voor het ontvangen en registreren van verzoeken verantwoordelijke autoriteiten: |
| (a) stellen de verzoekers in kennis van hun rechten en verplichtingen die met name zijn vastgesteld in de artikelen 28 en 31 betreffende de indiening van verzoeken, artikel 7 betreffende de verplichtingen van verzoekers en de gevolgen van niet-naleving van die verplichtingen, artikel 9 betreffende het recht van verzoekers om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven, en artikel 8 betreffende de algemene waarborgen voor verzoekers; |
| (b) registreren het verzoek onmiddellijk. Zij registreren ook de volgende gegevens: |
| (i) de naam, geboortedatum, geslacht, nationaliteit en overige personalia van de verzoeker; |
| (ii) het soort en nummer van de identiteits- of reisdocumenten van de verzoeker; |
| (iii) de datum van het verzoek, de plaats waar het verzoek werd gedaan en de autoriteit waarbij het verzoek is gedaan; |
| (iv) informeren de verzoeker over de vraag waar en hoe een verzoek om internationale bescherming kan worden ingediend; |
| (v) informeren de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de opvangvoorzieningen overeenkomstig Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen) over het verzoek. |
| De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de inhoud specificeren van de informatie die aan verzoekers moet worden verstrekt wanneer zij een verzoek doen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. |
| Wanneer een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk wordt om verzoeken te registreren zodra deze zijn gedaan, kunnen de autoriteiten van de lidstaten deze termijn verlengen tot tien werkdagen. |
Or. en
Amendement 925
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 26
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Artikel 26 | Schrappen |
Taken van de verantwoordelijke autoriteiten wanneer een verzoek is gedaan |
|
1. De voor het ontvangen en registreren van verzoeken verantwoordelijke autoriteiten: |
|
(a) stellen de verzoekers in kennis van hun rechten en verplichtingen die met name zijn vastgesteld in de artikelen 27, 28 en 31 betreffende de registratie en de indiening van verzoeken, artikel 7 betreffende de verplichtingen van verzoekers en de gevolgen van niet-naleving van die verplichtingen, artikel 9 betreffende het recht van verzoekers om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven, en artikel 8 betreffende de algemene waarborgen voor verzoekers; |
|
(b) registreren het verzoek overeenkomstig artikel 27; |
|
(c) informeren de verzoeker na de registratie over de vraag waar en hoe een verzoek om internationale bescherming kan worden ingediend; |
|
(d) informeren de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de opvangvoorzieningen overeenkomstig Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen) over het verzoek. |
|
2. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de inhoud specificeren van de informatie die aan verzoekers moet worden verstrekt wanneer zij een verzoek doen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. |
|
Or. en
Amendement 926
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 1 – letter a
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(a) stellen de verzoekers in kennis van hun rechten en verplichtingen die met name zijn vastgesteld in de artikelen 27, 28 en 31 betreffende de registratie en de indiening van verzoeken, artikel 7 betreffende de verplichtingen van verzoekers en de gevolgen van niet-naleving van die verplichtingen, artikel 9 betreffende het recht van verzoekers om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven, en artikel 8 betreffende de algemene waarborgen voor verzoekers; | (a) stellen de verzoekers in een taal die zij begrijpen in kennis van hun rechten en verplichtingen die met name zijn vastgesteld in de artikelen 27, 28 en 31 betreffende de registratie en de indiening van verzoeken, artikel 7 betreffende de verplichtingen van verzoekers en de gevolgen van niet-naleving van die verplichtingen, artikel 9 betreffende het recht van verzoekers om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven, en artikel 8 betreffende de algemene waarborgen voor verzoekers; |
Or. en
Amendement 927
Péter Niedermüller
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de inhoud specificeren van de informatie die aan verzoekers moet worden verstrekt wanneer zij een verzoek doen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. | 2. De Commissie is overeenkomstig artikel 59 gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de inhoud van de informatie is gespecificeerd die aan verzoekers moet worden verstrekt wanneer zij een verzoek doen. |
Or. en
Motivering
Informatieverstrekking aan verzoekers, is een belangrijk procedureel recht voor verzoekers. Gezien het belang ervan, is het noodzakelijk dat de medewetgevers het eens zijn over elke handeling waarin de aan de verzoekers te verstrekken informatie wordt gespecificeerd. Met dat in het achterhoofd kan in deze omstandigheden uitsluitend een gedelegeerde handeling worden gebruikt.
Amendement 928
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 27
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Artikel 27 | Schrappen |
Registratie van verzoeken om internationale bescherming |
|
1. De autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en registreren van verzoeken om internationale bescherming, registreren een verzoek onverwijld, en uiterlijk binnen drie dagen nadat het verzoek is gedaan. Zij registreren ook de volgende gegevens: |
|
(a) de naam, geboortedatum, geslacht, nationaliteit en overige personalia van de verzoeker; |
|
(b) het soort en nummer van de identiteits- of reisdocumenten van de verzoeker; |
|
(c) de datum van het verzoek, de plaats waar het verzoek werd gedaan en de autoriteit waarbij het verzoek is gedaan. |
|
Wanneer de onder a) en b) genoemde gegevens al in het bezit zijn van de lidstaten voordat het verzoek wordt gedaan, worden deze niet nogmaals gevraagd. |
|
2. Wanneer de gegevens worden verzameld door de beslissingsautoriteit of door een andere autoriteit die haar bijstaat bij de behandeling van het verzoek, kunnen op het ogenblik van de registratie ook aanvullende gegevens worden verzameld die noodzakelijk zijn voor de behandeling van het verzoek. |
|
3. Wanneer een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk wordt om verzoeken te registreren binnen drie werkdagen nadat deze zijn gedaan, kunnen de autoriteiten van de lidstaten deze termijn verlengen tot tien werkdagen. |
|
4. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren elke in lid 1 bedoelde reeks gegevens en alle andere krachtens lid 2 verzamelde relevante gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. |
|
Or. en
Amendement 929
Elissavet Vozemberg-Vrionidi
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en registreren van verzoeken om internationale bescherming, registreren een verzoek onverwijld, en uiterlijk binnen drie dagen nadat het verzoek is gedaan. Zij registreren ook de volgende gegevens: | De autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en registreren van verzoeken om internationale bescherming, registreren een verzoek onverwijld, en uiterlijk binnen tien werkdagen nadat het verzoek is gedaan. Zij registreren ook de volgende gegevens: |
Or. en
Motivering
Bij een grote instroom van migranten is drie dagen geen realistische termijn.
Amendement 930
Miltiadis Kyrkos
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en registreren van verzoeken om internationale bescherming, registreren een verzoek onverwijld, en uiterlijk binnen drie dagen nadat het verzoek is gedaan. Zij registreren ook de volgende gegevens: | De autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en registreren van verzoeken om internationale bescherming, registreren een verzoek onverwijld, en uiterlijk binnen tien werkdagen nadat het verzoek is gedaan. Zij registreren ook de volgende gegevens: |
Or. en
Amendement 931
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1 – alinea 1 – letter a
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(a) de naam, geboortedatum, geslacht, nationaliteit en overige personalia van de verzoeker; | (a) de naam, geboortedatum, geslacht, nationaliteit en overige personalia van de verzoeker en, in voorkomend geval, de genderidentiteit van de verzoeker; |
Or. en
Amendement 932
Miltiadis Kyrkos
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1 – alinea 1 – letter a
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(a) de naam, geboortedatum, geslacht, nationaliteit en overige personalia van de verzoeker; | (a) de naam, geboortedatum, geslacht, nationaliteit, burgerlijke staat |
Or. en
Amendement 933
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini, Jean Lambert
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1 – alinea 1 – letter a
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(a) de naam, geboortedatum, geslacht, nationaliteit en overige personalia van de verzoeker; | (a) de naam, geboortedatum, geslacht, nationaliteit of staatloosheid; |
Or. en
Amendement 934
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| (a bis) overige personalia van de verzoeker, zoals burgerlijke staat en gezondheid; |
Or. en
Amendement 935
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1 – alinea 1 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) het soort en nummer van de identiteits- of reisdocumenten van de verzoeker; | (b) het soort en nummer van de identiteits- of reisdocumenten van de verzoeker, indien beschikbaar; |
Or. en
Amendement 936
Alessandra Mussolini, Salvatore Domenico Pogliese
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| De beslissende lidstaat voert zo snel mogelijk na de registratie van het verzoek een grondige veiligheidscontrole van de verzoeker uit. |
Or. en
Amendement 937
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Jean Lambert, Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| 1 bis. Wanneer iemand stelt geen nationaliteit te hebben, moet dit duidelijk worden geregistreerd en moet deze persoon te zijner tijd worden verwezen naar een speciaal hiervoor bestemde instantie ter bevestiging van de staatloosheid. |
Or. en
Amendement 938
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. Wanneer de gegevens worden verzameld door de beslissingsautoriteit of door een andere autoriteit die haar bijstaat bij de behandeling van het verzoek, kunnen op het ogenblik van de registratie ook aanvullende gegevens worden verzameld die noodzakelijk zijn voor de behandeling van het verzoek. | 2. Wanneer de gegevens worden verzameld door de beslissingsautoriteit of door een andere autoriteit die haar bijstaat bij de behandeling van het verzoek, kunnen op het ogenblik van de registratie ook aanvullende gegevens worden verzameld die noodzakelijk zijn voor de behandeling van het verzoek. De autoriteiten van de lidstaat die het verzoek behandelen of de lidstaat bepalen die verantwoordelijk is voor het verzoek, hebben toegang tot de inreis- en uitreisgegevens van de verzoeker die zijn bedoeld in Verordening (EU) nr. XXX/XXX (het inreis-uitreissysteem). |
Or. en
Amendement 939
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk wordt om verzoeken te registreren binnen drie werkdagen nadat deze zijn gedaan, kunnen de autoriteiten van de lidstaten deze termijn verlengen tot tien werkdagen. | 3. Wanneer een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk wordt om verzoeken te registreren binnen drie werkdagen nadat deze zijn gedaan, kunnen de autoriteiten van de lidstaten deze termijn verlengen tot vijf werkdagen. |
Or. en
Amendement 940
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk wordt om verzoeken te registreren binnen drie werkdagen nadat deze zijn gedaan, kunnen de autoriteiten van de lidstaten deze termijn verlengen tot tien werkdagen. | 3. Wanneer een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk wordt om verzoeken te registreren binnen drie werkdagen nadat deze zijn gedaan, kunnen de autoriteiten van de lidstaten deze termijn verlengen tot zeven dagen. |
Or. en
Amendement 941
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren elke in lid 1 bedoelde reeks gegevens en alle andere krachtens lid 2 verzamelde relevante gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. | 4. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren elke in lid 1 bedoelde reeks gegevens en alle andere krachtens lid 2 verzamelde relevante gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn. |
Or. en
Amendement 942
Péter Niedermüller, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes, Birgit Sippel
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren elke in lid 1 bedoelde reeks gegevens en alle andere krachtens lid 2 verzamelde relevante gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. | 4. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren elke in lid 1 bedoelde reeks gegevens en alle andere krachtens lid 2 verzamelde relevante gegevens gedurende één jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing over het verzoek om internationale bescherming, met inbegrip van alle beroepsmogelijkheden. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. |
Or. en
Motivering
In het kader van volgende verzoeken is het mogelijk nuttig de personalia van de verzoeker te bewaren nadat een definitieve beslissing over het verzoek is genomen. Echter, gezien de termijn die gepaard gaat met de behandeling van verzoeken in het algemeen, en met volgende verzoeken in het bijzonder, is het onbegrijpelijk waarom die informatie tien jaar zou moeten bewaard. Eén jaar na de definitieve beslissing zou ruim moeten volstaan.
Amendement 943
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren elke in lid 1 bedoelde reeks gegevens en alle andere krachtens lid 2 verzamelde relevante gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. | 4. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren elke in lid 1 bedoelde reeks gegevens en alle andere krachtens lid 2 verzamelde relevante gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. |
Or. en
Amendement 944
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren elke in lid 1 bedoelde reeks gegevens en alle andere krachtens lid 2 verzamelde relevante gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. | 4. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren elke in lid 1 bedoelde reeks gegevens en alle andere krachtens lid 2 verzamelde relevante gegevens gedurende vijf jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. |
Or. en
Motivering
Het doel van dit amendement is de gegevensbewaringstermijn in overeenstemming te brengen met het in het Eurodac-voorstel verwoorde standpunt van het EP.
Amendement 945
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren elke in lid 1 bedoelde reeks gegevens en alle andere krachtens lid 2 verzamelde relevante gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. | 4. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren elke in lid 1 bedoelde reeks gegevens en alle andere krachtens lid 2 verzamelde relevante gegevens gedurende twee jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. |
Or. en
Amendement 946
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. De verzoeker dient het verzoek in binnen tien werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen. | 1. De verzoeker dient het verzoek in binnen twintig werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, of uiterlijk op de datum van de overeenkomstig lid 5 gemaakte afspraak, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen. In het geval van een verzoek om kosteloze rechtsbijstand gaat de termijn voor het indienen van het verzoek in op het moment waarop de juridisch adviseur of andere raadsman is benoemd, of wanneer de kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging zijn afgewezen uit hoofde van artikel 15, lid 3. |
Or. en
Amendement 947
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. De verzoeker dient het verzoek in binnen tien werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen. | 1. De verzoeker dient het verzoek in binnen twintig werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen, met inbegrip van het regelen van diensten van vertalers en tolken en juridisch advies. |
Or. en
Amendement 948
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. De verzoeker dient het verzoek in binnen tien werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen. | 1. De verzoeker dient het verzoek in binnen twintig werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen. |
Or. en
Motivering
Het is beter in dit stadium een volledig en nauwkeurig verzoek van hoge kwaliteit te bewerkstelligen dan overhaast te handelen, aangezien dit in een later stadium tot vertraging en aanvullende administratieve lasten kan leiden en tot aanvullende toelichtingen.
Amendement 949
Péter Niedermüller, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. De verzoeker dient het verzoek in binnen tien werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen. | 1. De verzoeker dient het verzoek in binnen 15 werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen. |
Or. en
Amendement 950
Miltiadis Kyrkos
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. De verzoeker dient het verzoek in binnen tien werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen. | 1. De verzoeker dient het verzoek in binnen één maand vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen. |
Or. en
Amendement 951
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. De verzoeker dient het verzoek in binnen tien werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen. | 1. De verzoeker dient het verzoek in binnen zeven dagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen. |
Or. en
Amendement 952
Elissavet Vozemberg-Vrionidi
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. De verzoeker dient het verzoek in binnen tien werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen. | 1. De verzoeker dient het verzoek in binnen één maand vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, op voorwaarde dat hij daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om dat binnen die termijn te doen. |
Or. en
Motivering
Praktisch gezien is het niet haalbaar deze korte termijnen te hanteren.
Amendement 953
Péter Niedermüller, Caterina Chinnici, Marju Lauristin, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De voor het ontvangen en registreren van verzoeken om internationale bescherming verantwoordelijke instantie stelt de verzoeker daadwerkelijk in de gelegenheid om binnen de in lid 1 vastgestelde termijn een verzoek in te dienen. | 2. De voor het ontvangen en registreren van verzoeken om internationale bescherming verantwoordelijke instantie stelt de verzoeker daadwerkelijk in de gelegenheid om binnen de in lid 1 vastgestelde termijn een verzoek in te dienen. Overeenkomstig artikel 14, lid 1, heeft de verzoeker recht op rechtsbijstand en vertegenwoordiging bij het voorbereiden van het indienen van zijn verzoek en wordt verzoeker geïnformeerd over dit recht, in voorkomend geval met inbegrip van het recht op kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging. In het geval van een verzoek om kosteloze rechtsbijstand, begint de termijn voor de indiening van het verzoek te lopen vanaf het tijdstip van de benoeming van een juridisch adviseur of andere raadsman. |
Or. en
Motivering
Het feit dat een verzoeker voorafgaand aan het indienen van het verzoek recht heeft op rechtsbijstand en vertegenwoordiging is van groot belang en moet dan ook duidelijk worden aangegeven. Dit amendement is in overeenstemming met de voorgestelde amendementen op artikel 14, lid 1, en artikel 15, lid 1, van de tekst.
Amendement 954
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk wordt om de betrokkenen in staat te stellen hun verzoek binnen de in lid 1 bedoelde termijn in te dienen, stelt de verantwoordelijke autoriteit de verzoekers daadwerkelijk in de gelegenheid om hun verzoek uiterlijk binnen één maand vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd in te dienen. | 3. Wanneer een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk wordt om de betrokkenen in staat te stellen hun verzoek binnen de in lid 1 bedoelde termijn in te dienen, stelt de verantwoordelijke autoriteit de verzoekers daadwerkelijk in de gelegenheid om hun verzoek uiterlijk binnen drie weken vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd in te dienen. |
Or. en
Amendement 955
Alessandra Mussolini, Salvatore Domenico Pogliese
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk wordt om de betrokkenen in staat te stellen hun verzoek binnen de in lid 1 bedoelde termijn in te dienen, stelt de verantwoordelijke autoriteit de verzoekers daadwerkelijk in de gelegenheid om hun verzoek uiterlijk binnen één maand vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd in te dienen. | 3. Wanneer een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk wordt om de betrokkenen in staat te stellen hun verzoek binnen de in lid 1 bedoelde termijn in te dienen, stelt de verantwoordelijke autoriteit de verzoekers daadwerkelijk in de gelegenheid om hun verzoek uiterlijk binnen twee weken vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd in te dienen. |
Or. en
Amendement 956
Miltiadis Kyrkos
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk wordt om de betrokkenen in staat te stellen hun verzoek binnen de in lid 1 bedoelde termijn in te dienen, stelt de verantwoordelijke autoriteit de verzoekers daadwerkelijk in de gelegenheid om hun verzoek uiterlijk binnen één maand vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd in te dienen. | 3. Wanneer een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk wordt om de betrokkenen in staat te stellen hun verzoek binnen de in lid 1 bedoelde termijn in te dienen, stelt de verantwoordelijke autoriteit de verzoekers daadwerkelijk in de gelegenheid om hun verzoek zodra mogelijk en met voorrang in te dienen. |
Or. en
Amendement 957
Alessandra Mussolini, Salvatore Domenico Pogliese
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 4 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Bij het indienen van een verzoek, voeren verzoekers alle elementen aan zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening asielnormen) die nodig zijn ter staving van hun verzoek. Na het indienen van hun verzoek kunnen verzoekers alle aanvullende elementen aanvoeren die relevant zijn voor de behandeling van het verzoek totdat in het kader van de administratieve procedure een beslissing over het verzoek is genomen. | Bij het indienen van een verzoek, voeren verzoekers alle elementen aan zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening asielnormen) die nodig zijn ter staving van hun verzoek. Ze verlenen medewerking aan de beslissingsautoriteit en blijven gedurende de procedure aanwezig en beschikbaar. Na het indienen van hun verzoek kunnen verzoekers alle aanvullende elementen aanvoeren die relevant zijn voor de behandeling van het verzoek totdat in het kader van de administratieve procedure een beslissing over het verzoek is genomen. |
Or. en
Amendement 958
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 4 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Bij het indienen van een verzoek, voeren verzoekers alle elementen aan zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening asielnormen) die nodig zijn ter staving van hun verzoek. Na het indienen van hun verzoek kunnen verzoekers alle aanvullende elementen aanvoeren die relevant zijn voor de behandeling van het verzoek totdat in het kader van de administratieve procedure een beslissing over het verzoek is genomen. | Bij het indienen van een verzoek, voeren verzoekers alle in hun bezit zijnde elementen aan zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening asielnormen) die nodig zijn ter staving van hun verzoek. Na het indienen van hun verzoek kunnen verzoekers alle aanvullende elementen aanvoeren die relevant zijn voor de behandeling van het verzoek totdat in het kader van de administratieve procedure een beslissing over het verzoek is genomen. |
Or. en
Amendement 959
Péter Niedermüller, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes, Birgit Sippel
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 4 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Bij het indienen van een verzoek, voeren verzoekers alle elementen aan zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening asielnormen) die nodig zijn ter staving van hun verzoek. Na het indienen van hun verzoek kunnen verzoekers alle aanvullende elementen aanvoeren die relevant zijn voor de behandeling van het verzoek totdat in het kader van de administratieve procedure een beslissing over het verzoek is genomen. | Bij het indienen van een verzoek, voeren verzoekers alle elementen aan zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening asielnormen) die nodig zijn ter staving van hun verzoek. Na het indienen van hun verzoek kunnen verzoekers alle aanvullende elementen aanvoeren die relevant zijn voor de behandeling van het verzoek totdat in het kader van de administratieve procedure een beslissing over het verzoek is genomen. |
Or. en
Motivering
De in het kader van het verzoek aan te voeren elementen zijn vastgelegd in artikel 4, lid 2, van de verordening asielnormen.
Amendement 960
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 4 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De autoriteit die verantwoordelijk is voor het ontvangen en registreren van verzoeken om internationale bescherming, stelt de verzoeker ervan in kennis dat hij, nadat de beslissing over het verzoek is genomen, alleen nieuwe elementen kan aanvoeren die relevant zijn voor de behandeling van zijn verzoek en waarvan hij in een eerder stadium geen kennis had kunnen hebben, of die betrekking hebben op wijzigingen in zijn situatie. | De autoriteit die verantwoordelijk is voor het ontvangen en registreren van verzoeken om internationale bescherming, stelt de verzoeker ervan in kennis dat hij, nadat de beslissing over het verzoek is genomen, alleen nieuwe elementen kan aanvoeren die relevant zijn voor de behandeling van zijn verzoek of die betrekking hebben op wijzigingen in zijn situatie. |
Or. en
Amendement 961
Péter Niedermüller, Birgit Sippel, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 4 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De autoriteit die verantwoordelijk is voor het ontvangen en registreren van verzoeken om internationale bescherming, stelt de verzoeker ervan in kennis dat hij, nadat de beslissing over het verzoek is genomen, alleen nieuwe elementen kan aanvoeren die relevant zijn voor de behandeling van zijn verzoek en waarvan hij in een eerder stadium geen kennis had kunnen hebben, of die betrekking hebben op wijzigingen in zijn situatie. | De autoriteit die verantwoordelijk is voor het ontvangen en registreren van verzoeken om internationale bescherming, stelt de verzoeker ervan in kennis dat hij, nadat de beslissing over het verzoek is genomen, alleen nieuwe elementen kan aanvoeren die relevant zijn voor de behandeling van zijn verzoek of die betrekking hebben op wijzigingen in zijn situatie. |
Or. en
Motivering
De verzoeker heeft op ieder moment voordat een beslissing over zijn verzoek wordt genomen, het recht nieuwe elementen aan te voeren die relevant zijn voor de behandeling van zijn verzoek.
Amendement 962
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 4 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De autoriteit die verantwoordelijk is voor het ontvangen en registreren van verzoeken om internationale bescherming, stelt de verzoeker ervan in kennis dat hij, nadat de beslissing over het verzoek is genomen, alleen nieuwe elementen kan aanvoeren die relevant zijn voor de behandeling van zijn verzoek en waarvan hij in een eerder stadium geen kennis had kunnen hebben, of die betrekking hebben op wijzigingen in zijn situatie. | De autoriteit die verantwoordelijk is voor het ontvangen en registreren van verzoeken om internationale bescherming, stelt de verzoeker ervan in kennis dat hij, nadat de beslissing over het verzoek is genomen, alle nieuwe elementen kan aanvoeren die relevant zijn voor de behandeling van zijn verzoek en waarvan hij in een eerder stadium geen kennis had kunnen hebben of die hij niet had kunnen verstrekken, of die betrekking hebben op wijzigingen in zijn situatie. |
Or. en
Amendement 963
Péter Niedermüller, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. De verzoeken om internationale bescherming worden persoonlijk en op een daarvoor aangewezen plaats ingediend. Daartoe krijgt de verzoeker, wanneer het verzoek is geregistreerd, een afspraak met de autoriteiten die bevoegd zijn voor het indienen van een verzoek. | 5. De verzoeken om internationale bescherming worden persoonlijk en op een daarvoor aangewezen plaats ingediend. Daartoe krijgt de verzoeker, wanneer het verzoek is geregistreerd, een afspraak met de autoriteiten die bevoegd zijn voor het indienen van een verzoek. Deze afspraak zal op zijn vroegst plaatsvinden tien werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, tenzij de verzoeker instemt met een eerdere datum na voldoende geïnformeerd te zijn over zijn verplichting het verzoek in te dienen en zijn recht op rechtsbijstand en vertegenwoordiging. |
Or. en
Motivering
De verzoeker moet zijn verzoek binnen 15 werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd indienen, maar om zijn verzoek te kunnen indienen, heeft de verzoeker een afspraak nodig. Om te waarborgen dat de verzoeker voldoende tijd heeft om zich voor te bereiden op het indienen van zijn verzoek, vindt deze afspraak op zijn vroegst tien werkdagen vanaf de datum waarop het verzoek is geregistreerd, plaats, tenzij de verzoeker instemt met een eerdere afspraak.
Amendement 964
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. De verzoeken om internationale bescherming worden persoonlijk en op een daarvoor aangewezen plaats ingediend. Daartoe krijgt de verzoeker, wanneer het verzoek is geregistreerd, een afspraak met de autoriteiten die bevoegd zijn voor het indienen van een verzoek. | 5. De verzoeken om internationale bescherming worden persoonlijk en op een daarvoor aangewezen plaats ingediend. De verzoeker zal in de gelegenheid worden gesteld het verzoek in te dienen in het bijzijn van een tolk en/of een juridisch adviseur. Daartoe krijgt de verzoeker, wanneer het verzoek is geregistreerd, een afspraak met de autoriteiten die bevoegd zijn voor het indienen van een verzoek. |
Or. en
Amendement 965
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 6
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
6. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren de in lid 4 bedoelde gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. | 6. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren de in lid 4 bedoelde gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn. |
Or. en
Amendement 966
Péter Niedermüller, Josef Weidenholzer, Caterina Chinnici, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 6
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
6. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren de in lid 4 bedoelde gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. | 6. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren de in lid 4 bedoelde gegevens gedurende één jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing over het verzoek om internationale bescherming, met inbegrip van alle beroepsmogelijkheden. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. |
Or. en
Motivering
Ten behoeve van de samenhang met de ingediende amendementen op artikel 13, lid 7, en artikel 27, lid 4.
Amendement 967
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 6
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
6. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren de in lid 4 bedoelde gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. | 6. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren de in lid 4 bedoelde gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. |
Or. en
Amendement 968
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 6
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
6. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren de in lid 4 bedoelde gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. | 6. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren de in lid 4 bedoelde gegevens gedurende vijf jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. |
Or. en
Motivering
Ten behoeve van de samenhang met het EP-standpunt ten aanzien van de gegevensbewaringstermijn in Eurodac.
Amendement 969
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 6
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
6. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren de in lid 4 bedoelde gegevens gedurende tien jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. | 6. De verantwoordelijke autoriteiten bewaren de in lid 4 bedoelde gegevens gedurende twee jaar vanaf de datum van de definitieve beslissing. De gegevens worden gewist na het verstrijken van die termijn of, wanneer zij betrekking hebben op een persoon die vóór het verstrijken van deze periode het burgerschap van een lidstaat heeft verworven, zodra de lidstaat ervan op de hoogte is dat de betrokkene dit burgerschap heeft verworven. |
Or. en
Amendement 970
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. De autoriteiten van de lidstaat waar een verzoek om internationale bescherming wordt gedaan, verstrekken de verzoeker, na de registratie, een document waarin met name wordt verklaard dat een verzoek is gedaan en waarin wordt vermeld dat de verzoeker op het grondgebied van die lidstaat mag blijven om zijn verzoek in te dienen, zoals in deze verordening is bepaald. | 1. De autoriteiten van de lidstaat waar een verzoek om internationale bescherming wordt gedaan, verstrekken de verzoeker, uiterlijk bij de registratie, een document op zijn naam waarin: |
Or. en
Amendement 971
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. De autoriteiten van de lidstaat waar een verzoek om internationale bescherming wordt gedaan, verstrekken de verzoeker, na de registratie, een document waarin met name wordt verklaard dat een verzoek is gedaan en waarin wordt vermeld dat de verzoeker op het grondgebied van die lidstaat mag blijven om zijn verzoek in te dienen, zoals in deze verordening is bepaald. | 1. De autoriteiten van de lidstaat waar een verzoek om internationale bescherming wordt gedaan, verstrekken de verzoeker, na de registratie, een document waarin met name wordt verklaard dat een verzoek is gedaan en waarin wordt vermeld dat de verzoeker op het grondgebied van die lidstaat mag blijven om zijn verzoek in te dienen, zoals in deze richtlijn is bepaald. |
Or. en
Amendement 972
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1 – letter a (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| (a) de identiteit van de verzoeker wordt aangegeven door vermelding van ten minste de in artikel 27, lid 1, onder a) en onder b), bedoelde gegevens, zo nodig gecontroleerd en bijgewerkt, alsook een gezichtsopname van de verzoeker, de handtekening en de huidige verblijfplaats; |
Or. en
Amendement 973
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1 – letter b (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| (b) de autoriteit die het document afgeeft, de datum en plaats van afgifte en de geldigheidsduur van het document zijn aangegeven; |
Or. en
Amendement 974
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1 – letter c (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| (c) de status van de betrokkene als verzoeker wordt bevestigd; |
Or. en
Amendement 975
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1 – letter d (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| (d) wordt verklaard dat de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van die lidstaat te blijven, met vermelding of de verzoeker zich vrij kan verplaatsen op het hele grondgebied van de lidstaat of op slechts een deel ervan; |
Or. en
Amendement 976
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1 – letter e (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| (e) is aangegeven dat het document geen geldig reisdocument is en is vermeld dat de verzoeker niet het recht heeft om zonder toestemming naar een andere lidstaat te reizen totdat de procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek overeenkomstig Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening) is doorlopen; |
Or. en
Amendement 977
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1 – letter f (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| (f) is aangegeven of de verzoeker de toestemming heeft om betaald werk te verrichten. |
Or. en
Amendement 978
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De autoriteiten van de lidstaat waar het verzoek is ingediend, verstrekken de verzoeker binnen drie werkdagen na het indienen van het verzoek, een document op zijn naam waarin: | Schrappen |
(a) de identiteit van de verzoeker wordt aangegeven door vermelding van ten minste de in artikel 27, lid 1, onder a) en onder b), bedoelde gegevens, zo nodig gecontroleerd en bijgewerkt, alsook een gezichtsopname van de verzoeker, de handtekening, de huidige verblijfplaats en de datum waarop het verzoek is ingediend; |
|
(b) de autoriteit van die het document afgeeft, de datum en plaats van afgifte en de geldigheidsduur van het document zijn aangegeven; |
|
(c) de status van de betrokkene als verzoeker wordt bevestigd; |
|
(d) wordt verklaard dat de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van die lidstaat te blijven, met vermelding of de verzoeker zich vrij kan verplaatsen op het hele grondgebied van de lidstaat of op slechts een deel ervan; |
|
(e) is aangegeven dat het document geen geldig reisdocument is en is vermeld dat de verzoeker niet het recht heeft om zonder toestemming naar een andere lidstaat te reizen totdat de procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek overeenkomstig Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening) is doorlopen; |
|
(f) is aangegeven of de verzoeker de toestemming heeft om betaald werk te verrichten. |
|
Or. en
Amendement 979
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2 – letter d
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(d) wordt verklaard dat de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van die lidstaat te blijven, met vermelding of de verzoeker zich vrij kan verplaatsen op het hele grondgebied van de lidstaat of op slechts een deel ervan; | (d) wordt verklaard dat de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van die lidstaat te blijven, met vermelding dat de verzoeker zich vrij kan verplaatsen op het hele grondgebied van de lidstaat; |
Or. en
Amendement 980
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2 – letter e
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(e) is aangegeven dat het document geen geldig reisdocument is en is vermeld dat de verzoeker niet het recht heeft om zonder toestemming naar een andere lidstaat te reizen totdat de procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek overeenkomstig Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening) is doorlopen; | (e) is aangegeven dat het document geen geldig reisdocument is en is vermeld dat de verzoeker het recht heeft om zonder toestemming naar een andere lidstaat te reizen op voorwaarde dat de verzoeker bereikbaar is totdat de procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek overeenkomstig Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening) is doorlopen; |
Or. en
Amendement 981
Péter Niedermüller, Kati Piri, Caterina Chinnici, Ana Gomes, Josef Weidenholzer
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2 – letter f
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(f) is aangegeven of de verzoeker de toestemming heeft om betaald werk te verrichten. | (f) is aangegeven vanaf welke datum de verzoeker de toestemming heeft om betaald werk te verrichten. |
Or. en
Motivering
Overeenkomstig het standpunt van het Parlement in het kader van de richtlijn opvangvoorzieningen krijgt de verzoeker twee maanden na het doen van zijn verzoek toegang tot de arbeidsmarkt (indien geen beslissing is genomen). Op het registratiedocument moet dan ook zijn aangegeven vanaf welke datum de verzoeker mag beginnen werken.
Amendement 982
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2 – letter f bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| (f bis) In het geval de in artikel 27, lid 1, onder a), bedoelde gegevens de genderidentiteit van de verzoeker omvatten en deze afwijkt van zijn juridische genderidentiteit, vermeldt het document de naam, genderaanduiding en andere gendergerelateerde gegevens met betrekking tot de genderidentiteit van de verzoeker. |
Or. en
Amendement 983
Emil Radev
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer, na een procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek overeenkomstig Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening), een andere lidstaat wordt aangewezen als verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek, verstrekken de autoriteiten van die lidstaat de verzoeker binnen drie werkdagen na de overdracht van de verzoeker aan die lidstaat een document zoals bedoeld in lid 2. | Schrappen |
Or. bg
Amendement 984
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer, na een procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek overeenkomstig Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening), een andere lidstaat wordt aangewezen als verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek, verstrekken de autoriteiten van die lidstaat de verzoeker binnen drie werkdagen na de overdracht van de verzoeker aan die lidstaat een document zoals bedoeld in lid 2. | 3. Wanneer, na een procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek overeenkomstig Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening), een andere lidstaat wordt aangewezen als verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek, verstrekken de autoriteiten van die lidstaat de verzoeker binnen drie werkdagen na de overdracht van de verzoeker aan die lidstaat een document zoals bedoeld in lid 1. |
Or. en
Amendement 985
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 3 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| 3 bis. De beslissingsautoriteit verstrekt de verzoeker een document waarin wordt verklaard dat een verzoek is ingediend in overeenstemming met artikel 28 en waarin alle door de verzoeker aangevoerde elementen bij het indienen van het verzoek zijn opgenomen. |
Or. en
Amendement 986
Péter Niedermüller, Elly Schlein, Cécile Kashetu Kyenge, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 4 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Het in lid 2 bedoelde document blijft zes maanden geldig en wordt dienovereenkomstig verlengd om ervoor te zorgen dat de geldigheid van dat document de termijn dekt waarbinnen de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven. | Het in lid 2 bedoelde document blijft zes maanden geldig en wordt automatisch verlengd in het geval nog geen definitieve beslissing over het verzoek om internationale bescherming is genomen om ervoor te zorgen dat de geldigheid van dat document de termijn dekt waarbinnen de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven. |
Or. en
Motivering
Het is van belang erop toe te zien dat de documenten waarin wordt verklaard dat de verzoeker het recht heeft te blijven, automatisch worden verlengd (zolang een definitieve beslissing over het verzoek ontbreekt).
Amendement 987
Miltiadis Kyrkos
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 4 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Het in lid 2 bedoelde document blijft zes maanden geldig en wordt dienovereenkomstig verlengd om ervoor te zorgen dat de geldigheid van dat document de termijn dekt waarbinnen de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven. | Het in lid 2 bedoelde document blijft ten minste twee weken en uiterlijk twaalf maanden geldig en wordt dienovereenkomstig verlengd om ervoor te zorgen dat de geldigheid van dat document de termijn dekt waarbinnen de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven. |
Or. en
Amendement 988
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 4 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Het in lid 2 bedoelde document blijft zes maanden geldig en wordt dienovereenkomstig verlengd om ervoor te zorgen dat de geldigheid van dat document de termijn dekt waarbinnen de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven. | Het in lid 1 bedoelde document blijft ten minste zes maanden geldig en wordt dienovereenkomstig verlengd om ervoor te zorgen dat de geldigheid van dat document de termijn dekt waarbinnen de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven. |
Or. en
Amendement 989
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 4 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Het in lid 2 bedoelde document blijft zes maanden geldig en wordt dienovereenkomstig verlengd om ervoor te zorgen dat de geldigheid van dat document de termijn dekt waarbinnen de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven. | Het in lid 2 bedoelde document blijft twaalf maanden geldig en wordt dienovereenkomstig verlengd om ervoor te zorgen dat de geldigheid van dat document de termijn dekt waarbinnen de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven. |
Or. en
Motivering
Een kortere geldigheidstermijn zou onze administratieve autoriteiten te veel belasten, aangezien dit zou inhouden dat deze documenten voortdurend moeten worden verlengd. Een langere geldigheidstermijn moet de werklast voor de administratieve autoriteiten beperken en zou het recht op het grondgebied te blijven niet verruimen wanneer dat recht is vervallen of geschorst overeenkomstig het volgende lid.
Amendement 990
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 4 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Het in lid 2 bedoelde document blijft zes maanden geldig en wordt dienovereenkomstig verlengd om ervoor te zorgen dat de geldigheid van dat document de termijn dekt waarbinnen de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven. | Het in lid 2 bedoelde document blijft vijf maanden geldig en wordt dienovereenkomstig verlengd om ervoor te zorgen dat de geldigheid van dat document de termijn dekt waarbinnen de verzoeker het recht heeft om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven. |
Or. en
Motivering
Gekoppeld aan het amendement op artikel 34 ter verkorting van de termijn voor de normale behandelingsprocedure van zes naar vijf maanden.
Amendement 991
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 4 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De op het document vermelde geldigheidstermijn houdt niet het recht in om te blijven wanneer dat recht is vervallen of geschorst. | De op het document vermelde geldigheidstermijn houdt het recht in om te blijven. |
Or. en
Amendement 992
Péter Niedermüller, Birgit Sippel, Ana Gomes, Josef Weidenholzer
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de vorm en de inhoud van de bij de registratie en de indiening aan de verzoekers te verstrekken documenten specificeren. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. | 5. De Commissie specificeert door middel van uitvoeringshandelingen de vorm en de inhoud van de bij de registratie en de indiening aan de verzoekers te verstrekken documenten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. |
Or. en
Motivering
Voor een geharmoniseerde benadering ten aanzien van de procedures moeten de lidstaten vergelijkbare documenten verstrekken waarin wordt verklaard dat verzoekers het recht hebben te blijven, Het is dan ook zaak een uitvoeringshandeling vast te stellen ter bepaling van de vorm en inhoud van een dergelijk document.
Amendement 993
Péter Niedermüller, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Wanneer er aanwijzingen zijn dat onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, behoefte kunnen hebben aan internationale bescherming, informeren de verantwoordelijke instanties hen over de mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken, met name wanneer: | 1. De verantwoordelijke autoriteiten informeren onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, over de mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken, met name wanneer: |
Or. en
Motivering
Onderdanen van een derde land die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten moeten te allen tijde worden geïnformeerd over hun recht om om internationale bescherming te verzoeken.
Amendement 994
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Wanneer er aanwijzingen zijn dat onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, behoefte kunnen hebben aan internationale bescherming, informeren de verantwoordelijke instanties hen over de mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken, met name wanneer: | 1. Wanneer er aanwijzingen zijn, met inbegrip van informatie van ngo's, dat onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, behoefte kunnen hebben aan internationale bescherming, informeren de verantwoordelijke instanties hen over de mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken, en bieden hun de mogelijkheid daartoe, met name wanneer: |
Or. en
Amendement 995
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Wanneer er aanwijzingen zijn dat onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, behoefte kunnen hebben aan internationale bescherming, informeren de verantwoordelijke instanties hen over de mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken, met name wanneer: | 1. De verantwoordelijke autoriteiten informeren alle onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, en mogelijk behoefte hebben aan internationale bescherming, over de mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken. |
Or. en
Motivering
De informatie moet aan iedereen worden verstrekt, niet alleen de genoemde groepen.
Amendement 996
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Wanneer er aanwijzingen zijn dat onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, behoefte kunnen hebben aan internationale bescherming, informeren de verantwoordelijke instanties hen over de mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken, met name wanneer: | 1. De lidstaten beoordelen of onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, behoefte hebben aan internationale bescherming. Zo ja, informeren de verantwoordelijke instanties hen over de mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken, met name wanneer: |
Or. en
Amendement 997
Brice Hortefeux, Rachida Dati
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Wanneer er aanwijzingen zijn dat onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, behoefte kunnen hebben aan internationale bescherming, informeren de verantwoordelijke instanties hen over de mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken, met name wanneer: | 1. Wanneer op basis van aanwijzingen vermoed wordt dat onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, behoefte kunnen hebben aan internationale bescherming, informeren de verantwoordelijke instanties hen over de mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken, met name wanneer: |
Or. fr
Amendement 998
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Wanneer er aanwijzingen zijn dat onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, behoefte kunnen hebben aan internationale bescherming, informeren de verantwoordelijke instanties hen over de mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken, met name wanneer: | 1. De verantwoordelijke autoriteiten informeren alle onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, over het recht om om internationale bescherming te verzoeken en verwijzen hen hiertoe onverwijld naar de bevoegde asielinstanties. |
Or. en
Motivering
Alle onderdanen van een derde land die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, worden onverwijld door de bevoegde autoriteiten geïnformeerd over hun recht om om internationale bescherming te verzoeken. Kinderen en kwetsbare personen mogen niet in detentiecentra, aan grensdoorlaatposten of in transitzones worden vastgehouden.
Amendement 999
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Wanneer er aanwijzingen zijn dat onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, behoefte kunnen hebben aan internationale bescherming, informeren de verantwoordelijke instanties hen over de mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken, met name wanneer: | 1. Wanneer er aanwijzingen zijn dat onderdanen van een derde land of staatlozen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, behoefte kunnen hebben aan internationale bescherming, informeren de verantwoordelijke instanties hen over de mogelijkheid om om internationale bescherming te verzoeken. |
Or. en
Amendement 1000
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – letter a
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(a) de betrokkene waarschijnlijk een niet-begeleide minderjarige is; | Schrappen |
Or. en
Amendement 1001
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – letter a
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(a) de betrokkene waarschijnlijk een niet-begeleide minderjarige is; | Schrappen |
Or. en
Motivering
Alle onderdanen van een derde land die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, worden onverwijld door de bevoegde autoriteiten geïnformeerd over hun recht om om internationale bescherming te verzoeken. Kinderen en kwetsbare personen mogen niet in detentiecentra, aan grensdoorlaatposten of in transitzones worden vastgehouden.
Amendement 1002
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – letter a
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(a) de betrokkene waarschijnlijk een niet-begeleide minderjarige is; | Schrappen |
Or. en
Motivering
Heeft betrekking op het amendement op artikel 30, lid 1.
Amendement 1003
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) er duidelijke aanwijzingen zijn dat de betrokkene een geestelijke of andere stoornis heeft waardoor hij niet in staat is na te gaan of hij internationale bescherming behoeft; | Schrappen |
Or. en
Amendement 1004
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) er duidelijke aanwijzingen zijn dat de betrokkene een geestelijke of andere stoornis heeft waardoor hij niet in staat is na te gaan of hij internationale bescherming behoeft; | Schrappen |
Or. en
Motivering
Heeft betrekking op het amendement op artikel 30, lid 1.
Amendement 1005
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) er duidelijke aanwijzingen zijn dat de betrokkene een geestelijke of andere stoornis heeft waardoor hij niet in staat is na te gaan of hij internationale bescherming behoeft; | Schrappen |
Or. en
Motivering
Alle onderdanen van een derde land die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen, worden onverwijld door de bevoegde autoriteiten geïnformeerd over hun recht om om internationale bescherming te verzoeken. Kinderen en kwetsbare personen mogen niet in detentiecentra, grensdoorlaatposten of transitzones worden vastgehouden.
Amendement 1006
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 30 – letter c
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(c) de betrokkene uit een specifiek land van herkomst komt en het waarschijnlijk is dat hij internationale bescherming behoeft door een algemeen bekende situatie in dat derde land. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1007
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 30 – letter c
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(c) de betrokkene uit een specifiek land van herkomst komt en het waarschijnlijk is dat hij internationale bescherming behoeft door een algemeen bekende situatie in dat derde land. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1008
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 30 – letter c
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(c) de betrokkene uit een specifiek land van herkomst komt en het waarschijnlijk is dat hij internationale bescherming behoeft door een algemeen bekende situatie in dat derde land. | Schrappen |
Or. en
Motivering
Heeft betrekking op het amendement op artikel 30, lid 1.
Amendement 1009
Elissavet Vozemberg-Vrionidi
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 3 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Organisaties en personen die advies en counseling verstrekken krijgen daadwerkelijk toegang tot onderdanen van derde landen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen. | Organisaties en personen die krachtens het nationale recht erkend zijn voor het verstrekken van advies en counseling krijgen daadwerkelijk toegang tot onderdanen van derde landen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen. |
Or. en
Motivering
Er moet duidelijkheid komen over welke organisaties en personen krachtens het nationale recht deze toegang krijgen.
Amendement 1010
Miltiadis Kyrkos
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 3 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Organisaties en personen die advies en counseling verstrekken krijgen daadwerkelijk toegang tot onderdanen van derde landen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen. | Organisaties en personen die krachtens het nationale recht erkend zijn voor het verstrekken van advies en counseling krijgen daadwerkelijk toegang tot onderdanen van derde landen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen. |
Or. en
Amendement 1011
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 3 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Organisaties en personen die advies en counseling verstrekken krijgen daadwerkelijk toegang tot onderdanen van derde landen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen. | Personen die advies verstrekken, kunnen toegang krijgen tot onderdanen van derde landen die worden vastgehouden in detentiecentra of zich bevinden aan grensdoorlaatposten, met inbegrip van transitzones, aan de buitengrenzen. |
Or. en
Amendement 1012
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 3 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De lidstaten kunnen die toegang beperken indien dit krachtens het nationale recht noodzakelijk is voor de veiligheid, de openbare orde of het administratieve beheer van een grensdoorlaatpost of een detentiecentrum, mits de toegang hierdoor niet ernstig wordt belemmerd of onmogelijk wordt gemaakt. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1013
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 3 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De lidstaten kunnen die toegang beperken indien dit krachtens het nationale recht noodzakelijk is voor de veiligheid, de openbare orde of het administratieve beheer van een grensdoorlaatpost of een detentiecentrum, mits de toegang hierdoor niet ernstig wordt belemmerd of onmogelijk wordt gemaakt. | De lidstaten kunnen die toegang beperken indien dit krachtens het nationale recht noodzakelijk is voor de veiligheid of de openbare orde in een grensdoorlaatpost of een detentiecentrum, mits de toegang hierdoor niet ernstig wordt belemmerd of onmogelijk wordt gemaakt. De toegang tot wettelijke vertegenwoordigers moet te allen tijde zijn gewaarborgd. |
Or. en
Amendement 1014
Péter Niedermüller, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 3 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De lidstaten kunnen die toegang beperken indien dit krachtens het nationale recht noodzakelijk is voor de veiligheid, de openbare orde of het administratieve beheer van een grensdoorlaatpost of een detentiecentrum, mits de toegang hierdoor niet ernstig wordt belemmerd of onmogelijk wordt gemaakt. | De lidstaten kunnen die toegang beperken indien dit krachtens het nationale recht noodzakelijk is voor de veiligheid of de openbare orde in een grensdoorlaatpost of een detentiecentrum, mits de toegang hierdoor niet ernstig wordt belemmerd of onmogelijk wordt gemaakt. |
Or. en
Motivering
De toegang tot detentiecentra of grensdoorlaatposten mag niet worden beperkt op grond van "administratief beheer".
Amendement 1015
Sergei Stanishev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Verzoeken namens een echtgenoot, partner, minderjarige of ten laste komende meerderjarige | Gezamenlijke behandeling van verzoeken |
Or. en
Motivering
In overeenstemming met eerdere amendementen, teneinde het de lidstaten mogelijk te maken verzoeken gezamenlijk te behandelen.
Amendement 1016
Kinga Gál
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Verzoeken namens een echtgenoot, partner, minderjarige of ten laste komende meerderjarige | Verzoeken namens een echtgenoot, minderjarige of ten laste komende meerderjarige |
Or. hu
Amendement 1017
Emil Radev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Verzoeken namens een echtgenoot, partner, minderjarige of ten laste komende meerderjarige | Verzoeken namens een minderjarige of ten laste komende meerderjarige |
Or. bg
Amendement 1018
Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Verzoeken namens een echtgenoot, partner, minderjarige of ten laste komende meerderjarige | Verzoeken namens een minderjarige of ten laste komende meerderjarige |
Or. en
Motivering
Een verzoek om internationale bescherming moet persoonlijk worden ingediend door de verzoeker die hiertoe handelingsbekwaam is. Waar het de familieleden van de verzoeker betreft, zijn de regels inzake gezinshereniging van toepassing.
Amendement 1019
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – titel
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Verzoeken namens een echtgenoot, partner, minderjarige of ten laste komende meerderjarige | Verzoeken namens een minderjarige of ten laste komende meerderjarige |
Or. en
Amendement 1020
Sergei Stanishev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Een verzoeker kan een verzoek indienen namens zijn echtgenoot of partner in een stabiele en duurzame relatie, minderjarigen of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn. | 1. De lidstaten kunnen besluiten een verzoek om internationale bescherming van een verzoeker gezamenlijk te onderzoeken met de verzoeken van familieleden, mits deze zich op het grondgebied van dezelfde lidstaat bevinden. |
Or. en
Motivering
Het recht op asiel is een persoonlijk recht en de persoonlijke intentieverklaring mag niet worden vervangen. Regelingen die het mogelijk maken verzoeken namens andere personen in te dienen, werken mogelijk misbruik door netwerken van mensenhandelaren in de hand. De verordening moet voorzien in de mogelijkheid dat lidstaten de verzoeken van familieleden gezamenlijk behandelen, hetgeen de onderliggende intentie is van de door de Commissie voorgestelde tekst.
Amendement 1021
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Een verzoeker kan een verzoek indienen namens zijn echtgenoot of partner in een stabiele en duurzame relatie, minderjarigen of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn. | 1. Een verzoeker kan een verzoek indienen namens minderjarigen of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn. |
Or. en
Amendement 1022
Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Een verzoeker kan een verzoek indienen namens zijn echtgenoot of partner in een stabiele en duurzame relatie, minderjarigen of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn. | 1. Een verzoeker kan een verzoek indienen namens minderjarigen of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn. |
Or. en
Motivering
Heeft betrekking op de wijziging van artikel 31 - titel
Amendement 1023
Emil Radev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Een verzoeker kan een verzoek indienen namens zijn echtgenoot of partner in een stabiele en duurzame relatie, minderjarigen of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn. | 1. Een verzoeker kan een verzoek indienen namens zijn kinderen die nog niet de minimumleeftijd voor wettelijke aansprakelijkheid hebben bereikt of ten laste komende meerderjarige kinderen die niet handelingsbekwaam zijn. |
Or. bg
Amendement 1024
Kinga Gál
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Een verzoeker kan een verzoek indienen namens zijn echtgenoot of partner in een stabiele en duurzame relatie, minderjarigen of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn. | 1. Een verzoeker kan een verzoek indienen namens zijn echtgenoot, minderjarigen of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn. |
Or. hu
Amendement 1025
Monika Hohlmeier, Heinz K. Becker
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Een verzoeker kan een verzoek indienen namens zijn echtgenoot of partner in een stabiele en duurzame relatie, minderjarigen of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn. | 1. Een verzoeker kan een verzoek indienen namens zijn echtgenoot of partner in een stabiele en duurzame relatie, minderjarige kinderen of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn. |
Or. en
Amendement 1026
Sergei Stanishev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De in lid 1 bedoelde echtgenoot of partner wordt persoonlijk meegedeeld wat de relevante procedurele gevolgen zijn van het indienen van een verzoek in zijn naam en van zijn recht om een afzonderlijk verzoek om internationale bescherming te doen. Wanneer de echtgenoot of partner niet instemt met het indienen van een verzoek in zijn naam, wordt hij in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1027
Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De in lid 1 bedoelde echtgenoot of partner wordt persoonlijk meegedeeld wat de relevante procedurele gevolgen zijn van het indienen van een verzoek in zijn naam en van zijn recht om een afzonderlijk verzoek om internationale bescherming te doen. Wanneer de echtgenoot of partner niet instemt met het indienen van een verzoek in zijn naam, wordt hij in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen. | Schrappen |
Or. en
Motivering
Heeft betrekking op de wijziging van de titel van artikel 31.
Amendement 1028
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De in lid 1 bedoelde echtgenoot of partner wordt persoonlijk meegedeeld wat de relevante procedurele gevolgen zijn van het indienen van een verzoek in zijn naam en van zijn recht om een afzonderlijk verzoek om internationale bescherming te doen. Wanneer de echtgenoot of partner niet instemt met het indienen van een verzoek in zijn naam, wordt hij in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1029
Emil Radev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De in lid 1 bedoelde echtgenoot of partner wordt persoonlijk meegedeeld wat de relevante procedurele gevolgen zijn van het indienen van een verzoek in zijn naam en van zijn recht om een afzonderlijk verzoek om internationale bescherming te doen. Wanneer de echtgenoot of partner niet instemt met het indienen van een verzoek in zijn naam, wordt hij in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen. | Schrappen |
Or. bg
Amendement 1030
Péter Niedermüller, Birgit Sippel, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De in lid 1 bedoelde echtgenoot of partner wordt persoonlijk meegedeeld wat de relevante procedurele gevolgen zijn van het indienen van een verzoek in zijn naam en van zijn recht om een afzonderlijk verzoek om internationale bescherming te doen. Wanneer de echtgenoot of partner niet instemt met het indienen van een verzoek in zijn naam, wordt hij in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen. | 2. De in lid 1 bedoelde echtgenoot of partner wordt persoonlijk door de beslissingsautoriteit meegedeeld wat de relevante procedurele gevolgen zijn van het indienen van een verzoek in zijn naam en van zijn recht om een afzonderlijk verzoek om internationale bescherming te doen. Wanneer de echtgenoot of partner niet instemt met het indienen van een verzoek in zijn naam, heeft hij het recht om in eigen naam een verzoek in te dienen. |
Or. en
Motivering
Uit de tekst van de Commissie blijkt niet duidelijk wie de echtgenoot of partner moet informeren over de relevante procedurele gevolgen van het indienen van een verzoek in zijn naam. Naar onze mening ligt die verantwoordelijkheid bij de beslissingsautoriteit.
Amendement 1031
Kinga Gál
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De in lid 1 bedoelde echtgenoot of partner wordt persoonlijk meegedeeld wat de relevante procedurele gevolgen zijn van het indienen van een verzoek in zijn naam en van zijn recht om een afzonderlijk verzoek om internationale bescherming te doen. Wanneer de echtgenoot of partner niet instemt met het indienen van een verzoek in zijn naam, wordt hij in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen. | 2. De in lid 1 bedoelde echtgenoot wordt persoonlijk meegedeeld wat de relevante procedurele gevolgen zijn van het indienen van een verzoek in zijn naam en van zijn recht om een afzonderlijk verzoek om internationale bescherming te doen. Wanneer de echtgenoot niet instemt met het indienen van een verzoek in zijn naam, wordt hij in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen. |
Or. hu
Amendement 1032
Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens zijn echtgenoot of partner heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de echtgenoot of partner in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen. Wanneer de echtgenoot of partner binnen deze tweede termijn van tien werkdagen nog steeds geen verzoek heeft ingediend, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 vastgestelde procedure. | Schrappen |
Or. en
Motivering
Heeft betrekking op de wijziging van de titel van artikel 31.
Amendement 1033
Sergei Stanishev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens zijn echtgenoot of partner heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de echtgenoot of partner in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen. Wanneer de echtgenoot of partner binnen deze tweede termijn van tien werkdagen nog steeds geen verzoek heeft ingediend, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 vastgestelde procedure. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1034
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens zijn echtgenoot of partner heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de echtgenoot of partner in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen. Wanneer de echtgenoot of partner binnen deze tweede termijn van tien werkdagen nog steeds geen verzoek heeft ingediend, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 vastgestelde procedure. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1035
Emil Radev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens zijn echtgenoot of partner heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de echtgenoot of partner in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen. Wanneer de echtgenoot of partner binnen deze tweede termijn van tien werkdagen nog steeds geen verzoek heeft ingediend, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 vastgestelde procedure. | Schrappen |
Or. bg
Amendement 1036
Péter Niedermüller, Birgit Sippel, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens zijn echtgenoot of partner heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de echtgenoot of partner in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen. Wanneer de echtgenoot of partner binnen deze tweede termijn van tien werkdagen nog steeds geen verzoek heeft ingediend, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 vastgestelde procedure. | 3. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens zijn echtgenoot of partner heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen 15 werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de echtgenoot of partner in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen binnen een tweede termijn van 15 werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van 15 werkdagen. |
Or. en
Motivering
De regels ten aanzien van het verwerpen van een verzoek als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, zijn vastgelegd in artikel 39 en hoeven hier niet te worden herhaald.
Amendement 1037
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens zijn echtgenoot of partner heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de echtgenoot of partner in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen. Wanneer de echtgenoot of partner binnen deze tweede termijn van tien werkdagen nog steeds geen verzoek heeft ingediend, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 vastgestelde procedure. | 3. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens zijn echtgenoot of partner heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen twintig werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de echtgenoot of partner in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen binnen een tweede termijn van twintig werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van twintig werkdagen. |
Or. en
Amendement 1038
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens zijn echtgenoot of partner heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de echtgenoot of partner in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen. Wanneer de echtgenoot of partner binnen deze tweede termijn van tien werkdagen nog steeds geen verzoek heeft ingediend, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 vastgestelde procedure. | 3. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens zijn echtgenoot of partner heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen twintig werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de echtgenoot of partner in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen binnen een tweede termijn van twintig werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen. Wanneer de echtgenoot of partner binnen deze tweede termijn van twintig werkdagen nog steeds geen verzoek heeft ingediend, wordt de behandeling van het verzoek gestaakt. |
Or. en
Amendement 1039
Kinga Gál
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens zijn echtgenoot of partner heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de echtgenoot of partner in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen. Wanneer de echtgenoot of partner binnen deze tweede termijn van tien werkdagen nog steeds geen verzoek heeft ingediend, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 vastgestelde procedure. | 3. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens zijn echtgenoot heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de echtgenoot in de gelegenheid gesteld om in eigen naam een verzoek in te dienen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen. Wanneer de echtgenoot binnen deze tweede termijn van tien werkdagen nog steeds geen verzoek heeft ingediend, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 vastgestelde procedure. |
Or. hu
Amendement 1040
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens een te zijnen laste komende meerderjarige heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, dient de beslissingsautoriteit namens die ten laste komende meerderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die ten laste komende meerderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1041
Sergei Stanishev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens een te zijnen laste komende meerderjarige heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, dient de beslissingsautoriteit namens die ten laste komende meerderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die ten laste komende meerderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1042
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens een te zijnen laste komende meerderjarige heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, dient de beslissingsautoriteit namens die ten laste komende meerderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die ten laste komende meerderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. | 4. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens een te zijnen laste komende meerderjarige heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, dient de beslissingsautoriteit namens en met instemming van die ten laste komende meerderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die ten laste komende meerderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. |
Or. en
Amendement 1043
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens een te zijnen laste komende meerderjarige heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, dient de beslissingsautoriteit namens die ten laste komende meerderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die ten laste komende meerderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. | 4. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens een te zijnen laste komende meerderjarige heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen twintig werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, dient de beslissingsautoriteit namens die ten laste komende meerderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die ten laste komende meerderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. |
Or. en
Amendement 1044
Péter Niedermüller, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens een te zijnen laste komende meerderjarige heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, dient de beslissingsautoriteit namens die ten laste komende meerderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die ten laste komende meerderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. | 4. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens een te zijnen laste komende meerderjarige heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen 15 werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, dient de beslissingsautoriteit namens die ten laste komende meerderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die ten laste komende meerderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. |
Or. en
Motivering
Ten behoeve van de samenhang met voorgaande amendementen.
Amendement 1045
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 4
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
4. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens een te zijnen laste komende meerderjarige heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen tien werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, dient de beslissingsautoriteit namens die ten laste komende meerderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die ten laste komende meerderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. | 4. Wanneer een verzoeker geen verzoek namens een te zijnen laste komende meerderjarige heeft ingediend als bedoeld in lid 1 binnen twintig werkdagen, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, dient de beslissingsautoriteit namens die ten laste komende meerderjarige een verzoek in wanneer er, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, feitelijke aanwijzingen zijn dat die ten laste komende meerderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. |
Or. en
Amendement 1046
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. Wanneer een persoon een verzoek heeft ingediend namens zijn echtgenoot of partner in een stabiele en duurzame relatie of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn, wordt elk van deze personen in de gelegenheid gesteld om een persoonlijk onderhoud te hebben. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1047
Sergei Stanishev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. Wanneer een persoon een verzoek heeft ingediend namens zijn echtgenoot of partner in een stabiele en duurzame relatie of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn, wordt elk van deze personen in de gelegenheid gesteld om een persoonlijk onderhoud te hebben. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1048
Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. Wanneer een persoon een verzoek heeft ingediend namens zijn echtgenoot of partner in een stabiele en duurzame relatie of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn, wordt elk van deze personen in de gelegenheid gesteld om een persoonlijk onderhoud te hebben. | 5. Wanneer een persoon een verzoek heeft ingediend namens ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn, worden deze personen in de gelegenheid gesteld om een persoonlijk onderhoud te hebben. |
Or. en
Motivering
Heeft betrekking op de wijziging van de titel van artikel 31.
Amendement 1049
Emil Radev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. Wanneer een persoon een verzoek heeft ingediend namens zijn echtgenoot of partner in een stabiele en duurzame relatie of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn, wordt elk van deze personen in de gelegenheid gesteld om een persoonlijk onderhoud te hebben. | 5. Wanneer een persoon een verzoek heeft ingediend namens zijn meerderjarige kinderen die niet handelingsbekwaam zijn, wordt elk van deze personen in de gelegenheid gesteld om een persoonlijk onderhoud te hebben. |
Or. bg
Amendement 1050
Kinga Gál
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 5
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. Wanneer een persoon een verzoek heeft ingediend namens zijn echtgenoot of partner in een stabiele en duurzame relatie of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn, wordt elk van deze personen in de gelegenheid gesteld om een persoonlijk onderhoud te hebben. | 5. Wanneer een persoon een verzoek heeft ingediend namens zijn echtgenoot of ten laste komende meerderjarigen die niet handelingsbekwaam zijn, wordt elk van deze personen in de gelegenheid gesteld om een persoonlijk onderhoud te hebben. |
Or. hu
Amendement 1051
Sergei Stanishev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 7
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
7. In het geval van een begeleide minderjarige wordt het indienen van een verzoek door een voor hem verantwoordelijke meerderjarige zoals bedoeld in lid 6, beschouwd als het indienen van een verzoek om internationale bescherming namens de minderjarige. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1052
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 8
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
8. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige voor zichzelf geen verzoek doet, wordt de begeleide minderjarige duidelijk in kennis gesteld van de mogelijkheid en de procedure om in eigen naam een verzoek in te dienen op het ogenblik waarop hij zijn verzoek doet. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1053
Sergei Stanishev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 8
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
8. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige voor zichzelf geen verzoek doet, wordt de begeleide minderjarige duidelijk in kennis gesteld van de mogelijkheid en de procedure om in eigen naam een verzoek in te dienen op het ogenblik waarop hij zijn verzoek doet. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1054
Anna Maria Corazza Bildt, Caterina Chinnici, Hilde Vautmans, Barbara Matera, Damiano Zoffoli, Michaela Šojdrová, Brando Benifei, Lara Comi, Carlos Coelho
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 8
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
8. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige voor zichzelf geen verzoek doet, wordt de begeleide minderjarige duidelijk in kennis gesteld van de mogelijkheid en de procedure om in eigen naam een verzoek in te dienen op het ogenblik waarop hij zijn verzoek doet. | 8. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige voor zichzelf geen verzoek doet, wordt de begeleide minderjarige duidelijk in kennis gesteld van de mogelijkheid en de procedure om in eigen naam een verzoek in te dienen op het ogenblik waarop hij zijn verzoek doet en wordt hij daadwerkelijk in de gelegenheid gesteld dit binnen de in artikel 28, lid 1, gestelde termijn van tien werkdagen te doen wanneer hij daartoe volgens het nationaal recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is. Wanneer de minderjarige volgens het nationaal recht van de betrokken lidstaat niet handelingsbekwaam is, treedt de beslissingsautoriteit namens de minderjarige op, daarbij terdege rekening houdend met zijn standpunten. |
Or. en
Amendement 1055
Péter Niedermüller, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 8
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
8. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige voor zichzelf geen verzoek doet, wordt de begeleide minderjarige duidelijk in kennis gesteld van de mogelijkheid en de procedure om in eigen naam een verzoek in te dienen op het ogenblik waarop hij zijn verzoek doet. | 8. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige voor zichzelf geen verzoek doet, wordt de begeleide minderjarige duidelijk door de verantwoordelijke autoriteiten in kennis gesteld van de procedure om in eigen naam een verzoek in te dienen op het ogenblik waarop hij zijn verzoek doet. |
Or. en
Motivering
Uit de tekst van de Commissie blijkt niet duidelijk wie verantwoordelijk is voor het informeren van de begeleide minderjarige. Naar onze mening ligt die verantwoordelijkheid bij de beslissingsautoriteit. De verwijzing naar de mogelijkheid een verzoek in te dienen is bovendien misleidend, aangezien de verzoeker verplicht is een verzoek in te dienen.
Amendement 1056
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 9
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
9. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige binnen tien werkdagen geen verzoek indient namens de minderjarige, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de minderjarige in kennis gesteld van de mogelijkheid om zijn verzoek in eigen naam in te dienen en in de gelegenheid gesteld om dat te doen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen, als hij daartoe volgens het recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is. Wanneer de minderjarige geen verzoek in eigen naam indient binnen deze tweede termijn van tien werkdagen, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 bedoelde procedure. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1057
Sergei Stanishev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 9
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
9. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige binnen tien werkdagen geen verzoek indient namens de minderjarige, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de minderjarige in kennis gesteld van de mogelijkheid om zijn verzoek in eigen naam in te dienen en in de gelegenheid gesteld om dat te doen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen, als hij daartoe volgens het recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is. Wanneer de minderjarige geen verzoek in eigen naam indient binnen deze tweede termijn van tien werkdagen, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 bedoelde procedure. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1058
Anna Maria Corazza Bildt, Caterina Chinnici, Hilde Vautmans, Barbara Matera, Damiano Zoffoli, Michaela Šojdrová, Brando Benifei, Lara Comi, Carlos Coelho
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 9
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
9. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige binnen tien werkdagen geen verzoek indient namens de minderjarige, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de minderjarige in kennis gesteld van de mogelijkheid om zijn verzoek in eigen naam in te dienen en in de gelegenheid gesteld om dat te doen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen, als hij daartoe volgens het recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is. Wanneer de minderjarige geen verzoek in eigen naam indient binnen deze tweede termijn van tien werkdagen, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 bedoelde procedure. | 9. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige binnen tien werkdagen geen verzoek indient namens de minderjarige, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de minderjarige in kennis gesteld van de mogelijkheid en de procedure om zijn verzoek in eigen naam in te dienen en in de gelegenheid gesteld om dat te doen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen vanaf het moment dat de minderjarige in kennis is gesteld, als hij daartoe volgens het recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is. Wanneer de minderjarige geen verzoek in eigen naam indient binnen deze tweede termijn van tien werkdagen, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 bedoelde procedure. Wanneer de minderjarige volgens het nationaal recht van de betrokken lidstaat niet handelingsbekwaam is, treedt de beslissingsautoriteit namens de minderjarige op, daarbij terdege rekening houdend met zijn standpunten. |
Or. en
Amendement 1059
Péter Niedermüller, Ana Gomes, Josef Weidenholzer
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 9
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
9. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige binnen tien werkdagen geen verzoek indient namens de minderjarige, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de minderjarige in kennis gesteld van de mogelijkheid om zijn verzoek in eigen naam in te dienen en in de gelegenheid gesteld om dat te doen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen, als hij daartoe volgens het recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is. Wanneer de minderjarige geen verzoek in eigen naam indient binnen deze tweede termijn van tien werkdagen, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 bedoelde procedure. | 9. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige binnen 15 werkdagen geen verzoek indient namens de minderjarige, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de minderjarige in kennis gesteld van de procedure om zijn verzoek in eigen naam in te dienen en in de gelegenheid gesteld om dat te doen binnen een tweede termijn van 15 werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van 15 werkdagen, als hij daartoe volgens het recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is. |
Or. en
Motivering
Ten behoeve van de samenhang met eerdere amendementen op dit artikel.
Amendement 1060
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 9
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
9. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige binnen tien werkdagen geen verzoek indient namens de minderjarige, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de minderjarige in kennis gesteld van de mogelijkheid om zijn verzoek in eigen naam in te dienen en in de gelegenheid gesteld om dat te doen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen, als hij daartoe volgens het recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is. Wanneer de minderjarige geen verzoek in eigen naam indient binnen deze tweede termijn van tien werkdagen, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 bedoelde procedure. | 9. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige binnen twintig werkdagen geen verzoek indient namens de minderjarige, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de minderjarige in kennis gesteld van de mogelijkheid om zijn verzoek in eigen naam in te dienen en in de gelegenheid gesteld om dat te doen binnen een tweede termijn van twintig werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van twintig werkdagen, als hij daartoe volgens het recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is. Wanneer de minderjarige geen verzoek in eigen naam indient binnen deze tweede termijn van twintig werkdagen, dient de in artikel 5 bedoelde bevoegde instantie namens de minderjarige een verzoek in. |
Or. en
Amendement 1061
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 9
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
9. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige binnen tien werkdagen geen verzoek indient namens de minderjarige, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de minderjarige in kennis gesteld van de mogelijkheid om zijn verzoek in eigen naam in te dienen en in de gelegenheid gesteld om dat te doen binnen een tweede termijn van tien werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van tien werkdagen, als hij daartoe volgens het recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is. Wanneer de minderjarige geen verzoek in eigen naam indient binnen deze tweede termijn van tien werkdagen, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 bedoelde procedure. | 9. Indien de voor de begeleide minderjarige verantwoordelijke meerderjarige binnen twintig werkdagen geen verzoek indient namens de minderjarige, zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, wordt de minderjarige in kennis gesteld van de mogelijkheid om zijn verzoek in eigen naam in te dienen en in de gelegenheid gesteld om dat te doen binnen een tweede termijn van twintig werkdagen, die begint te lopen na het verstrijken van de eerste termijn van twintig werkdagen, als hij daartoe volgens het recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is. Wanneer de minderjarige geen verzoek in eigen naam indient binnen deze tweede termijn van twintig werkdagen, wordt het verzoek verworpen als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, overeenkomstig de in artikel 39 bedoelde procedure. |
Or. en
Amendement 1062
Péter Niedermüller, Caterina Chinnici, Ana Gomes, Josef Weidenholzer
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 10
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
10. Met het oog op het nemen van een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek in het geval van een afzonderlijk verzoek van een echtgenoot, partner of minderjarige overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder d), wordt een verzoek om internationale bescherming onderworpen aan een initieel onderzoek om na te gaan of er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen. | Schrappen |
Wanneer er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen, wordt dat afzonderlijke verzoek verder behandeld om een beslissing ten gronde te nemen. Wanneer dat niet het geval is, wordt het afzonderlijke verzoek niet-ontvankelijk verklaard, zonder afbreuk te doen aan de passende behandeling van een verzoek dat namens de echtgenoot, partner of minderjarige werd ingediend. |
|
Or. en
Motivering
Deze tekst is misleidend. Ieder verzoek moet individueel worden beoordeeld. De regels inzake ontvankelijkheidsprocedures zijn elders vastgelegd. Een dergelijk lid is dan ook overbodig. Dit lid komt niet voor in de bestaande richtlijn asielprocedures.
Amendement 1063
Sergei Stanishev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 10
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
10. Met het oog op het nemen van een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek in het geval van een afzonderlijk verzoek van een echtgenoot, partner of minderjarige overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder d), wordt een verzoek om internationale bescherming onderworpen aan een initieel onderzoek om na te gaan of er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen. | Schrappen |
Wanneer er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen, wordt dat afzonderlijke verzoek verder behandeld om een beslissing ten gronde te nemen. Wanneer dat niet het geval is, wordt het afzonderlijke verzoek niet-ontvankelijk verklaard, zonder afbreuk te doen aan de passende behandeling van een verzoek dat namens de echtgenoot, partner of minderjarige werd ingediend. |
|
Or. en
Motivering
Ten behoeve van de samenhang met eerdere amendementen ter afschaffing van de ontvankelijkheidstoetsing als vereiste voor de toepassing van de Dublinverordening.
Amendement 1064
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 10 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Met het oog op het nemen van een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek in het geval van een afzonderlijk verzoek van een echtgenoot, partner of minderjarige overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder d), wordt een verzoek om internationale bescherming onderworpen aan een initieel onderzoek om na te gaan of er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1065
Emil Radev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 10 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Met het oog op het nemen van een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek in het geval van een afzonderlijk verzoek van een echtgenoot, partner of minderjarige overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder d), wordt een verzoek om internationale bescherming onderworpen aan een initieel onderzoek om na te gaan of er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen. | Met het oog op het nemen van een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek in het geval van een afzonderlijk verzoek van een minderjarige overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder d), wordt een verzoek om internationale bescherming onderworpen aan een initieel onderzoek om na te gaan of er feiten zijn in verband met de situatie van de minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen. |
Or. bg
Amendement 1066
Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 10 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Met het oog op het nemen van een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek in het geval van een afzonderlijk verzoek van een echtgenoot, partner of minderjarige overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder d), wordt een verzoek om internationale bescherming onderworpen aan een initieel onderzoek om na te gaan of er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen. | Met het oog op het nemen van een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek in het geval van een afzonderlijk verzoek van een minderjarige overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder d), wordt een verzoek om internationale bescherming onderworpen aan een initieel onderzoek om na te gaan of er feiten zijn in verband met de situatie van de minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen. |
Or. en
Motivering
Heeft betrekking op de wijziging van de titel van artikel 31.
Amendement 1067
Kinga Gál
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 10 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Met het oog op het nemen van een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek in het geval van een afzonderlijk verzoek van een echtgenoot, partner of minderjarige overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder d), wordt een verzoek om internationale bescherming onderworpen aan een initieel onderzoek om na te gaan of er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen. | Met het oog op het nemen van een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek in het geval van een afzonderlijk verzoek van een echtgenoot of minderjarige overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder d), wordt een verzoek om internationale bescherming onderworpen aan een initieel onderzoek om na te gaan of er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen. |
Or. hu
Amendement 1068
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 10 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen, wordt dat afzonderlijke verzoek verder behandeld om een beslissing ten gronde te nemen. Wanneer dat niet het geval is, wordt het afzonderlijke verzoek niet-ontvankelijk verklaard, zonder afbreuk te doen aan de passende behandeling van een verzoek dat namens de echtgenoot, partner of minderjarige werd ingediend. | Wanneer er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen, wordt dat afzonderlijke verzoek verder behandeld om een beslissing ten gronde te nemen. |
Or. en
Amendement 1069
Emil Radev
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 10 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen, wordt dat afzonderlijke verzoek verder behandeld om een beslissing ten gronde te nemen. Wanneer dat niet het geval is, wordt het afzonderlijke verzoek niet-ontvankelijk verklaard, zonder afbreuk te doen aan de passende behandeling van een verzoek dat namens de echtgenoot, partner of minderjarige werd ingediend. | Wanneer er feiten zijn in verband met de situatie van de minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen, wordt dat afzonderlijke verzoek verder behandeld om een beslissing ten gronde te nemen. Wanneer dat niet het geval is, wordt het afzonderlijke verzoek niet-ontvankelijk verklaard, zonder afbreuk te doen aan de passende behandeling van een verzoek dat namens de minderjarige werd ingediend. |
Or. bg
Amendement 1070
Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 10 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen, wordt dat afzonderlijke verzoek verder behandeld om een beslissing ten gronde te nemen. Wanneer dat niet het geval is, wordt het afzonderlijke verzoek niet-ontvankelijk verklaard, zonder afbreuk te doen aan de passende behandeling van een verzoek dat namens de echtgenoot, partner of minderjarige werd ingediend. | Wanneer er feiten zijn in verband met de situatie van de minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen, wordt dat afzonderlijke verzoek verder behandeld om een beslissing ten gronde te nemen. Wanneer dat niet het geval is, wordt het afzonderlijke verzoek niet-ontvankelijk verklaard, zonder afbreuk te doen aan de passende behandeling van een verzoek dat namens de minderjarige werd ingediend. |
Or. en
Motivering
Heeft betrekking op de wijziging van de titel van artikel 31.
Amendement 1071
Kinga Gál
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 10 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen, wordt dat afzonderlijke verzoek verder behandeld om een beslissing ten gronde te nemen. Wanneer dat niet het geval is, wordt het afzonderlijke verzoek niet-ontvankelijk verklaard, zonder afbreuk te doen aan de passende behandeling van een verzoek dat namens de echtgenoot, partner of minderjarige werd ingediend. | Wanneer er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen, wordt dat afzonderlijke verzoek verder behandeld om een beslissing ten gronde te nemen. Wanneer dat niet het geval is, wordt het afzonderlijke verzoek niet-ontvankelijk verklaard, zonder afbreuk te doen aan de passende behandeling van een verzoek dat namens de echtgenoot, partner of minderjarige werd ingediend. |
Or. hu
Amendement 1072
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 10 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Wanneer er feiten zijn in verband met de situatie van de echtgenoot, partner of minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen, wordt dat afzonderlijke verzoek verder behandeld om een beslissing ten gronde te nemen. Wanneer dat niet het geval is, wordt het afzonderlijke verzoek niet-ontvankelijk verklaard, zonder afbreuk te doen aan de passende behandeling van een verzoek dat namens de echtgenoot, partner of minderjarige werd ingediend. | Wanneer er feiten zijn in verband met de situatie van de minderjarige die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen, wordt dat afzonderlijke verzoek verder behandeld om een beslissing ten gronde te nemen. Wanneer dat niet het geval is, wordt het afzonderlijke verzoek niet-ontvankelijk verklaard, zonder afbreuk te doen aan de passende behandeling van een verzoek dat namens de echtgenoot, partner of minderjarige werd ingediend. |
Or. en
Amendement 1073
Péter Niedermüller, Birgit Sippel, Ana Gomes, Josef Weidenholzer, Caterina Chinnici
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Een niet-begeleide minderjarige dient in eigen naam een verzoek in wanneer hij daartoe volgens het recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is, of zijn voogd dient dat verzoek namens hem in. De voogd staat de niet-begeleide minderjarige bij en informeert hem naar behoren over de vraag hoe en waar een verzoek kan worden ingediend. | 1. Een niet-begeleide minderjarige dient in eigen naam een verzoek in wanneer hij daartoe volgens het recht van de betrokken lidstaat handelingsbekwaam is, of zijn voogd dient dat verzoek namens hem in. Zonder afbreuk te doen aan het recht van de niet-begeleide minderjarige op rechtsbijstand en vertegenwoordiging overeenkomstig artikel 14 en artikel 15 staat de voogd de niet-begeleide minderjarige bij en informeert hem naar behoren over de vraag hoe en waar een verzoek kan worden ingediend. |
Or. en
Motivering
Alle niet-begeleide minderjarigen hebben hetzelfde recht op rechtsbijstand en vertegenwoordiging als alle andere verzoekers, met inbegrip van het recht op kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging. Deze rechten moeten toegankelijk zijn voorafgaand aan de indiening van het verzoek.
Amendement 1074
Emil Radev
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. In het geval van een niet-begeleide minderjarige gaat de in artikel 28, lid 1, bedoelde termijn van tien werkdagen voor het indienen van het verzoek pas in op het ogenblik dat een voogd voor de niet-begeleide minderjarige is aangesteld en deze de minderjarige heeft ontmoet. Wanneer zijn voogd binnen tien werkdagen geen verzoek namens de niet-begeleide minderjarige indient, dient de beslissingsautoriteit namens de niet-begeleide minderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die niet-begeleide minderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. | 2. Wanneer zijn voogd geen verzoek namens de niet-begeleide minderjarige indient, dient de beslissingsautoriteit namens de niet-begeleide minderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die niet-begeleide minderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. |
Or. bg
Amendement 1075
Péter Niedermüller, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. In het geval van een niet-begeleide minderjarige gaat de in artikel 28, lid 1, bedoelde termijn van tien werkdagen voor het indienen van het verzoek pas in op het ogenblik dat een voogd voor de niet-begeleide minderjarige is aangesteld en deze de minderjarige heeft ontmoet. Wanneer zijn voogd binnen tien werkdagen geen verzoek namens de niet-begeleide minderjarige indient, dient de beslissingsautoriteit namens de niet-begeleide minderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die niet-begeleide minderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. | 2. In het geval van een niet-begeleide minderjarige gaat de in artikel 28, lid 1, bedoelde termijn van 15 werkdagen voor het indienen van het verzoek pas in op het ogenblik dat een voogd voor de niet-begeleide minderjarige is aangesteld en deze de minderjarige heeft ontmoet. Wanneer zijn voogd binnen 15 werkdagen geen verzoek namens de niet-begeleide minderjarige indient, dient de beslissingsautoriteit namens de niet-begeleide minderjarige een verzoek in. |
Or. en
Motivering
Ten behoeve van de samenhang met voorgaande amendementen. Aangezien dit lid betrekking heeft op de indiening van een al gedaan verzoek, kan de beslissingsautoriteit in dit stadium niet bepalen of de minderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft zonder een grondige behandeling van het verzoek. Aangezien de niet-begeleide minderjarige het verzoek al heeft gedaan, moet het verzoek namens hem worden ingediend.
Amendement 1076
Anna Maria Corazza Bildt, Caterina Chinnici, Hilde Vautmans, Barbara Matera, Damiano Zoffoli, Michaela Šojdrová, Brando Benifei, Lara Comi
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. In het geval van een niet-begeleide minderjarige gaat de in artikel 28, lid 1, bedoelde termijn van tien werkdagen voor het indienen van het verzoek pas in op het ogenblik dat een voogd voor de niet-begeleide minderjarige is aangesteld en deze de minderjarige heeft ontmoet. Wanneer zijn voogd binnen tien werkdagen geen verzoek namens de niet-begeleide minderjarige indient, dient de beslissingsautoriteit namens de niet-begeleide minderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die niet-begeleide minderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. | 2. In het geval van een niet-begeleide minderjarige gaat de in artikel 28, lid 1, bedoelde termijn van tien werkdagen voor het indienen van het verzoek pas in op het ogenblik dat een voogd voor de niet-begeleide minderjarige is aangesteld en deze de minderjarige heeft ontmoet. Wanneer zijn voogd binnen tien werkdagen geen verzoek namens de niet-begeleide minderjarige indient, dient de beslissingsautoriteit namens de niet-begeleide minderjarige een verzoek in. |
Or. en
Amendement 1077
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. In het geval van een niet-begeleide minderjarige gaat de in artikel 28, lid 1, bedoelde termijn van tien werkdagen voor het indienen van het verzoek pas in op het ogenblik dat een voogd voor de niet-begeleide minderjarige is aangesteld en deze de minderjarige heeft ontmoet. Wanneer zijn voogd binnen tien werkdagen geen verzoek namens de niet-begeleide minderjarige indient, dient de beslissingsautoriteit namens de niet-begeleide minderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die niet-begeleide minderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. | 2. In het geval van een niet-begeleide minderjarige gaat de in artikel 28, lid 1, bedoelde termijn van twintig werkdagen voor het indienen van het verzoek pas in op het ogenblik dat een voogd voor de niet-begeleide minderjarige is aangesteld en deze de minderjarige heeft ontmoet. Wanneer zijn voogd binnen twintig werkdagen geen verzoek namens de niet-begeleide minderjarige indient, dient de beslissingsautoriteit namens de niet-begeleide minderjarige een verzoek in. |
Or. en
Amendement 1078
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. In het geval van een niet-begeleide minderjarige gaat de in artikel 28, lid 1, bedoelde termijn van tien werkdagen voor het indienen van het verzoek pas in op het ogenblik dat een voogd voor de niet-begeleide minderjarige is aangesteld en deze de minderjarige heeft ontmoet. Wanneer zijn voogd binnen tien werkdagen geen verzoek namens de niet-begeleide minderjarige indient, dient de beslissingsautoriteit namens de niet-begeleide minderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die niet-begeleide minderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. | 2. In het geval van een niet-begeleide minderjarige gaat de in artikel 28, lid 1, bedoelde termijn van twintig werkdagen voor het indienen van het verzoek pas in op het ogenblik dat een voogd voor de niet-begeleide minderjarige is aangesteld en deze de minderjarige heeft ontmoet. Wanneer zijn voogd binnen twintig werkdagen geen verzoek namens de niet-begeleide minderjarige indient, dient de beslissingsautoriteit namens de niet-begeleide minderjarige een verzoek in wanneer zij, op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening is dat die niet-begeleide minderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. |
Or. en
Amendement 1079
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. De in artikel 10 van Richtlijn 2008/115/EG bedoelde instanties hebben het recht om namens een niet-begeleide minderjarige een verzoek om internationale bescherming in te dienen, wanneer zij op grond van een individuele beoordeling van diens persoonlijke situatie, van mening zijn dat de minderjarige mogelijk internationale bescherming behoeft. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1080
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De beslissingsautoriteit beslist over verzoeken om internationale bescherming na een passend onderzoek naar de ontvankelijkheid of de gegrondheid van een verzoek. De beslissingsautoriteit onderzoekt verzoeken objectief, onpartijdig en op individuele basis. In het kader van de behandeling van het verzoek, neemt zij het volgende in acht: | Schrappen |
(a) de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden; |
|
(b) alle relevante, accurate en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing over het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast, alsook alle andere relevante informatie van het Asielagentschap van de Europese Unie, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en relevante internationale mensenrechtenorganisaties, of uit andere bronnen; |
|
(c) de gemeenschappelijke analyse van de informatie over de landen van herkomst, zoals bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening inzake het Asielagentschap van de EU); |
|
(d) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht, leeftijd, seksuele geaardheid en genderidentiteit, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, vervolging of ernstige schade zouden inhouden; |
|
(e) de vraag of de activiteiten die de verzoeker heeft ontplooid sinds hij zijn land van herkomst heeft verlaten, door hem uitsluitend of hoofdzakelijk werden verricht om de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zou worden blootgesteld; |
|
(f) de vraag of in redelijkheid van de verzoeker kan worden verwacht dat hij zich onder de bescherming stelt van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap zou kunnen beroepen. |
|
Or. en
Amendement 1081
Sergei Stanishev
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De beslissingsautoriteit beslist over verzoeken om internationale bescherming na een passend onderzoek naar de ontvankelijkheid of de gegrondheid van een verzoek. De beslissingsautoriteit onderzoekt verzoeken objectief, onpartijdig en op individuele basis. In het kader van de behandeling van het verzoek, neemt zij het volgende in acht: | 2. De beslissingsautoriteit onderzoekt verzoeken objectief, onpartijdig en op individuele basis. In het kader van de behandeling van het verzoek, neemt zij het volgende in acht: |
Or. en
Motivering
Ten behoeve van de samenhang met eerdere amendementen ter afschaffing van de ontvankelijkheidstoetsing als vereiste voor de toepassing van de Dublinverordening.
Amendement 1082
Péter Niedermüller, Ana Gomes, Josef Weidenholzer
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De beslissingsautoriteit beslist over verzoeken om internationale bescherming na een passend onderzoek naar de ontvankelijkheid of de gegrondheid van een verzoek. De beslissingsautoriteit onderzoekt verzoeken objectief, onpartijdig en op individuele basis. In het kader van de behandeling van het verzoek, neemt zij het volgende in acht: | 2. De beslissingsautoriteit beslist over verzoeken om internationale bescherming na een passend onderzoek van een verzoek. De beslissingsautoriteit onderzoekt verzoeken objectief, onpartijdig en op individuele basis. In het kader van de behandeling van het verzoek, neemt zij het volgende in acht: |
Or. en
Motivering
Overeenkomstig onze amendementen die erop gericht zijn de ontvankelijkheidstoetsing zuiver facultatief te maken, is de beslissingsautoriteit niet verplicht de ontvankelijkheid van ieder verzoek te beoordelen.
Amendement 1083
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) alle relevante, accurate en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing over het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast, alsook alle andere relevante informatie van het Asielagentschap van de Europese Unie, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en relevante internationale mensenrechtenorganisaties, of uit andere bronnen; | (b) alle relevante, accurate en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing over het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast, alsook alle andere relevante informatie van het Asielagentschap van de Europese Unie. |
Or. en
Amendement 1084
Anna Maria Corazza Bildt, Caterina Chinnici, Hilde Vautmans, Barbara Matera, Damiano Zoffoli, Michaela Šojdrová, Brando Benifei, Lara Comi, Barbara Kudrycka, Carlos Coelho
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) alle relevante, accurate en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing over het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast, alsook alle andere relevante informatie van het Asielagentschap van de Europese Unie, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en relevante internationale mensenrechtenorganisaties, of uit andere bronnen; | (b) alle relevante, accurate en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing over het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast, alsook alle andere relevante informatie van het Asielagentschap van de Europese Unie, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en relevante internationale mensenrechtenorganisaties en op kinderen gerichte organisaties, of uit andere bronnen; |
Or. en
Amendement 1085
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – letter d
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(d) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht, leeftijd, seksuele geaardheid en genderidentiteit, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, vervolging of ernstige schade zouden inhouden; | (d) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen; |
Or. en
Amendement 1086
Emil Radev
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – letter d
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(d) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht, leeftijd, seksuele geaardheid en genderidentiteit, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, vervolging of ernstige schade zouden inhouden; | (d) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen; |
Or. bg
Amendement 1087
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – letter e
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(e) de vraag of de activiteiten die de verzoeker heeft ontplooid sinds hij zijn land van herkomst heeft verlaten, door hem uitsluitend of hoofdzakelijk werden verricht om de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zou worden blootgesteld; | Schrappen |
Or. en
Motivering
Deze bepaling gaat ervan uit dat verzoekers om internationale bescherming met wantrouwen moeten worden benaderd waar het de uitoefening van fundamentele rechten betreft waar ze alle recht toe hebben, ook wanneer deze een risico opleveren. Deze bepaling dient derhalve te worden geschrapt.
Amendement 1088
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – letter e
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(e) de vraag of de activiteiten die de verzoeker heeft ontplooid sinds hij zijn land van herkomst heeft verlaten, door hem uitsluitend of hoofdzakelijk werden verricht om de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zou worden blootgesteld; | Schrappen |
Or. en
Amendement 1089
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – letter e
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(e) de vraag of de activiteiten die de verzoeker heeft ontplooid sinds hij zijn land van herkomst heeft verlaten, door hem uitsluitend of hoofdzakelijk werden verricht om de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zou worden blootgesteld; | (e) de vraag of de verzoeker sinds hij zijn land van herkomst heeft verlaten activiteiten heeft ontplooid uitsluitend of hoofdzakelijk om de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen; |
Or. en
Amendement 1090
Péter Niedermüller, Ana Gomes, Josef Weidenholzer
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – letter e
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(e) de vraag of de activiteiten die de verzoeker heeft ontplooid sinds hij zijn land van herkomst heeft verlaten, door hem uitsluitend of hoofdzakelijk werden verricht om de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zou worden blootgesteld; | (e) de vraag of de activiteiten die de verzoeker heeft ontplooid sinds hij zijn land van herkomst heeft verlaten, door hem uitsluitend werden verricht met het oog op het verkrijgen van internationale bescherming. Hiervan worden omstandigheden uitgesloten die geen verband houden met besluiten van de verzoeker, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, zijn seksuele gerichtheid en godsdienstige overtuiging die hij in het land van herkomst kennelijk al in meer of mindere mate beleed. |
Or. en
Motivering
In overeenstemming met de in de verordening asielnormen vastgestelde tekst.
Amendement 1091
Péter Niedermüller, Ana Gomes, Josef Weidenholzer
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – letter f
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(f) de vraag of in redelijkheid van de verzoeker kan worden verwacht dat hij zich onder de bescherming stelt van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap zou kunnen beroepen. | Schrappen |
Or. en
Motivering
Het recht van de Unie moet er niet toe leiden dat lidstaten de verantwoordelijk van zich afschuiven ten aanzien van het verlenen van internationale bescherming aan personen die hieraan behoefte hebben.
Amendement 1092
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – letter f
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(f) de vraag of in redelijkheid van de verzoeker kan worden verwacht dat hij zich onder de bescherming stelt van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap zou kunnen beroepen. | (Niet van toepassing op de Nederlandse versie) |
Or. en
Amendement 1093
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – letter f
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(f) de vraag of in redelijkheid van de verzoeker kan worden verwacht dat hij zich onder de bescherming stelt van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap zou kunnen beroepen. | (f) de vraag of in redelijkheid van de verzoeker kan worden verwacht dat hij zich onder de bescherming stelt van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap of verblijfsstatus zou kunnen beroepen. |
Or. en
Amendement 1094
Kinga Gál
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – alinea 2 – letter f
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(f) de vraag of in redelijkheid van de verzoeker kan worden verwacht dat hij zich onder de bescherming stelt van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap zou kunnen beroepen. | (f) de vraag of in redelijkheid van de verzoeker kan worden verwacht dat hij zich onder de bescherming stelt van een ander land. |
Or. hu
Amendement 1095
Péter Niedermüller, Caterina Chinnici, Ana Gomes, Josef Weidenholzer, Claude Moraes
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| 2 bis. Wanneer op enig moment voordat een definitieve beslissing over het verzoek om internationale bescherming is genomen, de verzoeker een Europese blauwe kaart ontvangt overeenkomstig Richtlijn xxx/xxx (inzake de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan), wordt dit verzoek opgeschort. Deze opschorting is vervolgens van toepassing totdat de Europese blauwe kaart – evenals een eventuele verlengde Europese blauwe kaart – is verlopen en de verzoeker is teruggekeerd naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor het verzoek om internationale bescherming. |
Or. en
Motivering
This amendment is designed to reflect the position adopted by the Parliament on the EU Blue Card Directive, opening up the possibility for those applicants for international protection who already have access to the labour market under the EU Asylum rules to apply for an EU Blue Card, and to be granted such a Blue Card if they fulfil all the conditions laid down in that Directive. For that purpose, it is necessary to establish that the application for international protection will not cease upon the granting of an EU Blue Card but shall not be further processed until such time as the EU Blue Card has expired.
Amendement 1096
Péter Niedermüller, Josef Weidenholzer, Ana Gomes, Caterina Chinnici
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Het personeel dat verzoeken behandelt en daarover beslist, beschikt over de nodige kennis over de normen die van toepassing zijn op het gebied van het asiel- en vluchtelingenrecht. Het heeft de mogelijkheid om, telkens wanneer dat nodig is, advies te vragen van deskundigen over specifieke kwesties, zoals medische, culturele, religieuze en kind- of gendergerelateerde kwesties. Zo nodig kunnen zij vragen stellen aan het Asielagentschap van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 9, lid 2, onder b), van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening inzake het Asielagentschap van de EU). | 3. Het personeel dat verzoeken behandelt en daarover beslist, beschikt over de nodige kennis over de normen die van toepassing zijn op het gebied van het asiel- en vluchtelingenrecht en heeft de vereiste opleiding gevolgd overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) nr. XXX/XXX (verordening inzake het Asielagentschap van de EU). Het heeft de mogelijkheid om, telkens wanneer dat nodig is, advies te vragen van deskundigen over specifieke kwesties, zoals medische, culturele, religieuze en kind- of gendergerelateerde kwesties, evenals kwesties op het gebied van geestelijke gezondheidszorg. Zo nodig kunnen zij vragen stellen aan het Asielagentschap van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 9, lid 2, onder b), van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening inzake het Asielagentschap van de EU). |
Or. en
Motivering
Het is van cruciaal belang voldoende opleiding aan te bieden aangezien dit doorslaggevend is voor het waarborgen van de juiste procedures.
Amendement 1097
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. Het personeel dat verzoeken behandelt en daarover beslist, beschikt over de nodige kennis over de normen die van toepassing zijn op het gebied van het asiel- en vluchtelingenrecht. Het heeft de mogelijkheid om, telkens wanneer dat nodig is, advies te vragen van deskundigen over specifieke kwesties, zoals medische, culturele, religieuze en kind- of gendergerelateerde kwesties. Zo nodig kunnen zij vragen stellen aan het Asielagentschap van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 9, lid 2, onder b), van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening inzake het Asielagentschap van de EU). | 3. Het personeel dat verzoeken behandelt en daarover beslist, beschikt over de nodige kennis over de normen die van toepassing zijn op het gebied van het asiel- en vluchtelingenrecht en heeft de in Verordening (EU) XXX/XXX (verordening inzake het Asielagentschap van de EU) vereiste opleiding voltooid. Het heeft de mogelijkheid om, telkens wanneer dat nodig is, advies te vragen van deskundigen over specifieke kwesties, zoals medische, culturele, religieuze en kind- of gendergerelateerde kwesties. Zo nodig kunnen zij vragen stellen aan het Asielagentschap van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 9, lid 2, onder b), van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening inzake het Asielagentschap van de EU). |
Or. en
Amendement 1098
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Bodil Valero, Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 5 – inleidende formule
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
5. Aan de behandeling van een verzoek om internationale bescherming kan voorrang worden gegeven overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II, met name wanneer: | 5. Aan de behandeling van een verzoek om internationale bescherming kan voorrang worden gegeven overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II, met name wanneer de verzoeker bijzondere opvangbehoeften heeft in de zin van artikel 20 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), of bijzondere procedurele waarborgen behoeft als bedoeld in de artikelen 19 tot en met 22 van deze verordening. |
Or. en
Amendement 1099
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 5 – letter a
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(a) het verzoek waarschijnlijk gegrond is; | Schrappen |
Or. en
Amendement 1100
Marina Albiol Guzmán
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 5 – letter a
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(a) het verzoek waarschijnlijk gegrond is; | Schrappen |
Or. en
Amendement 1101
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 5 – letter a
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(a) het verzoek waarschijnlijk gegrond is; | (a) het verzoek op het eerste gezicht waarschijnlijk gegrond is; |
Or. en
Amendement 1102
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 5 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) de verzoeker bijzondere opvangbehoeften heeft in de zin van artikel 20 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), of bijzondere procedurele waarborgen behoeft, in het bijzonder wanneer het om een niet-begeleide minderjarige gaat. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1103
Péter Niedermüller, Kati Piri, Caterina Chinnici, Ana Gomes, Josef Weidenholzer
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 5 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) de verzoeker bijzondere opvangbehoeften heeft in de zin van artikel 20 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), of bijzondere procedurele waarborgen behoeft, in het bijzonder wanneer het om een niet-begeleide minderjarige gaat. | (b) de verzoeker specifieke opvangbehoeften heeft in de zin van artikel 20 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), of bijzondere procedurele waarborgen behoeft overeenkomstig de artikelen 19 tot en met 22 van deze verordening, in het bijzonder wanneer het om een niet-begeleide minderjarige gaat. |
Or. en
Motivering
Ten behoeve van de samenhang met voorgaande amendementen.
Amendement 1104
Jeroen Lenaers
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 5 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) de verzoeker bijzondere opvangbehoeften heeft in de zin van artikel 20 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), of bijzondere procedurele waarborgen behoeft, in het bijzonder wanneer het om een niet-begeleide minderjarige gaat. | (b) de verzoeker bijzondere opvangbehoeften heeft in de zin van artikel 20 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), of bijzondere procedurele waarborgen behoeft zoals bedoeld in de artikelen 19 tot en met 22 van deze verordening, in het bijzonder wanneer het om een niet-begeleide minderjarige gaat. |
Or. en
Amendement 1105
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 5 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) de verzoeker bijzondere opvangbehoeften heeft in de zin van artikel 20 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), of bijzondere procedurele waarborgen behoeft, in het bijzonder wanneer het om een niet-begeleide minderjarige gaat. | (b) de verzoeker bijzondere opvangbehoeften heeft in de zin van artikel 20 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), of bijzondere procedurele waarborgen behoeft. |
Or. en
Amendement 1106
Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Filiz Hyusmenova
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 5 – letter b
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
(b) de verzoeker bijzondere opvangbehoeften heeft in de zin van artikel 20 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), of bijzondere procedurele waarborgen behoeft, in het bijzonder wanneer het om een niet-begeleide minderjarige gaat. | (b) de verzoeker specifieke opvangbehoeften heeft in de zin van artikel 20 van Richtlijn XXX/XXX/EU (richtlijn opvangvoorzieningen), of specifieke procedurele waarborgen behoeft, in het bijzonder wanneer het om een niet-begeleide minderjarige gaat. |
Or. en
Motivering
Dit amendement brengt de terminologie in overeenstemming met het standpunt van het EP over andere instrumenten betreffende het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, met name de richtlijn opvangvoorzieningen.
Amendement 1107
Carlos Coelho
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 5 bis (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| 5 bis. Het Asielagentschap van de Europese Unie verzamelt op transparante en onpartijdige wijze relevante, betrouwbare, objectieve, nauwkeurige en actuele informatie over relevante derde landen verzamelen, waarbij het gebruikmaakt van relevante informatie, met inbegrip van kind- of gendergerelateerde informatie, evenals gerichte informatie over personen die tot een kwetsbare groep behoren zoals bedoeld in de artikelen 8 en 9 van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening inzake het Asielagentschap van de EU). |
Or. en
Amendement 1108
Carlos Coelho
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 5 ter (nieuw)
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
| 5 ter. Het Asielagentschap van de Europese Unie beoordeelt regelmatig de situatie opnieuw in derde landen die voorkomen in de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. XXX/XXX [SCO/APR] of op het niveau van de Unie als veilige landen zijn aangewezen overeenkomstig Verordening (EU) nr. XXX/XXX [APR], met inbegrip van de landen die door de Commissie zijn geschorst en de landen die van die lijst verwijderd zijn. |
Or. en
Amendement 1109
Sergei Stanishev
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
1. Het onderzoek van de ontvankelijkheid van een verzoek overeenkomstig artikel 36, lid 1, duurt niet langer dan één maand vanaf het tijdstip van indiening van het verzoek. | Schrappen |
De termijn voor een dergelijk onderzoek bedraagt tien werkdagen indien, in overeenstemming met artikel 3, lid 3, onder a), van Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening), de lidstaat waar het eerst een verzoek is ingediend het begrip eerste land van asiel of veilig derde land, als bedoeld in artikel 36, lid 1, onder a) en b), toepast. |
|
Or. en
Motivering
Ten behoeve van de samenhang met eerdere amendementen ter afschaffing van de ontvankelijkheidstoetsing als vereiste voor de toepassing van de Dublinverordening.
Amendement 1110
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Het onderzoek van de ontvankelijkheid van een verzoek overeenkomstig artikel 36, lid 1, duurt niet langer dan één maand vanaf het tijdstip van indiening van het verzoek. | Het onderzoek van de ontvankelijkheid van een verzoek overeenkomstig artikel 36, lid 1, duurt niet langer dan één maand vanaf het tijdstip van indiening van het verzoek. Indien de beslissingsautoriteit de ontvankelijk van een verzoek niet binnen één maand vaststelt, zet de autoriteit de behandeling van het verzoek voort overeenkomstig leden 2 en 3 en artikel 37 en informeert de verzoeker dienovereenkomstig. |
Or. en
Amendement 1111
Péter Niedermüller, Caterina Chinnici, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 1 – alinea 1
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
Het onderzoek van de ontvankelijkheid van een verzoek overeenkomstig artikel 36, lid 1, duurt niet langer dan één maand vanaf het tijdstip van indiening van het verzoek. | Waar van toepassing duurt het onderzoek van de ontvankelijkheid van een verzoek overeenkomstig artikel 36, lid 1, niet langer dan één maand vanaf het tijdstip van indiening van het verzoek. |
Or. en
Motivering
Ten behoeve van de samenhang met eerdere amendementen teneinde de ontvankelijkheidstoetsing facultatief te maken. Een termijn voor een ontvankelijkheidstoetsing kan uitsluitend worden toegepast wanneer een dergelijke toetsing daadwerkelijk wordt gebruikt.
Amendement 1112
Péter Niedermüller, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 1 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De termijn voor een dergelijk onderzoek bedraagt tien werkdagen indien, in overeenstemming met artikel 3, lid 3, onder a), van Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening), de lidstaat waar het eerst een verzoek is ingediend het begrip eerste land van asiel of veilig derde land, als bedoeld in artikel 36, lid 1, onder a) en b), toepast. | Schrappen |
Or. en
Motivering
Vanuit welke overwegingen een ontvankelijkheidstoetsing ook wordt gebruikt, de toetsing moet altijd een individuele beoordeling van het verzoek omvatten. De termijnen voor uitvoering van ontvankelijkheidstoetsingen moeten uniform zijn.
Amendement 1113
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 1 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De termijn voor een dergelijk onderzoek bedraagt tien werkdagen indien, in overeenstemming met artikel 3, lid 3, onder a), van Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening), de lidstaat waar het eerst een verzoek is ingediend het begrip eerste land van asiel of veilig derde land, als bedoeld in artikel 36, lid 1, onder a) en b), toepast. | Schrappen |
Or. en
Amendement 1114
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 1 – alinea 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
De termijn voor een dergelijk onderzoek bedraagt tien werkdagen indien, in overeenstemming met artikel 3, lid 3, onder a), van Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening), de lidstaat waar het eerst een verzoek is ingediend het begrip eerste land van asiel of veilig derde land, als bedoeld in artikel 36, lid 1, onder a) en b), toepast. | De termijn voor een dergelijk onderzoek bedraagt tien kalenderdagen indien, in overeenstemming met artikel 3, lid 3, onder a), van Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening), de lidstaat waar het eerst een verzoek is ingediend het begrip eerste land van asiel of veilig derde land, als bedoeld in artikel 36, lid 1, onder a) en b), toepast. |
Or. en
Amendement 1115
Jussi Halla-aho
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De beslissingsautoriteit zorgt ervoor dat een behandelingsprocedure ten gronde zo spoedig mogelijk wordt afgerond, en in elk geval niet later dan zes maanden vanaf de indiening van het verzoek, zonder afbreuk te doen aan de behoorlijkheid en de volledigheid van de behandeling. | 2. De beslissingsautoriteit zorgt ervoor dat een behandelingsprocedure ten gronde zo spoedig mogelijk wordt afgerond, en in elk geval niet later dan vijf maanden vanaf de indiening van het verzoek, zonder afbreuk te doen aan de behoorlijkheid en de volledigheid van de behandeling. |
Or. en
Amendement 1116
Péter Niedermüller, Josef Weidenholzer, Ana Gomes
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 2
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
2. De beslissingsautoriteit zorgt ervoor dat een behandelingsprocedure ten gronde zo spoedig mogelijk wordt afgerond, en in elk geval niet later dan zes maanden vanaf de indiening van het verzoek, zonder afbreuk te doen aan de behoorlijkheid en de volledigheid van de behandeling. | 2. De beslissingsautoriteit zorgt ervoor dat een behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk wordt afgerond, en in elk geval niet later dan zes maanden vanaf de indiening van het verzoek, zonder afbreuk te doen aan de behoorlijkheid en de volledigheid van de behandeling. |
Or. en
Amendement 1117
Ska Keller
namens de Verts/ALE-Fractie
Judith Sargentini
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 3
| |
Door de Commissie voorgestelde tekst | Amendement |
3. De beslissingsautoriteit kan die termijn van zes maanden verlengen met een termijn van niet meer dan drie maanden, indien: | Schrappen |
(a) een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden; |
|
(b) complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn. |
|
Or. en