Zittingsdocument
17.4.2012 B7‑0201/2012
ONTWERPRESOLUTIE
naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Reglement
over de situatie in Mali
( 2012/2603(RSP) )
François Alfonsi, Judith Sargentini, Nicole Kiil-Nielsen, Raül Romeva i Rueda, Malika Benarab-Attou
namens de Verts/ALE-Fractie
Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Mali
( 2012/2603(RSP) )
Het Europees Parlement,
– gezien de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Catherine Ashton, over de militaire staatsgreep in Mali,
– gezien de verklaring van de dienst Humanitaire hulp van de Commissie over het voorkomen van een humanitaire crisis in Mali,
– gezien de verklaringen van de VN-Veiligheidsraad over de militaire staatsgreep,
– gezien de overeenkomst van Algiers uit 2006 over ontwikkeling en vrede in Noord-Mali,
– gezien de kaderovereenkomst van 6 april 2012 tussen de junta en de ECOWAS,
– gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de Nationale beweging voor de bevrijding van Azawad heeft verklaard de drie regio's van Noord-Mali – Gao, Kidal en Timboektoe – onder controle te hebben en een nieuwe staat te willen vormen;
B. overwegende dat Ansar Dine, een islamitische groepering die nauwe banden onderhoudt met Al-Qaida in de islamitische Maghreb (AQIM), heeft verklaard Timboektoe onder controle te hebben en in Mali de sharia te willen opleggen;
C. eraan herinnerend dat in het verleden verscheidene vredesakkoorden tussen de Malinese regering en de Toearegbevrijdingsbeweging zijn gesloten, waarin de nadruk lag op de economische ontwikkeling van het noorden, decentralisatie en integratie van de Toearegs in de civiele en militaire structuren; overwegende dat de spanningen tussen de centrale regering en de Nationale beweging voor de bevrijding van Azawad, ondanks een aantal vredesinitiatieven, zijn blijven bestaan;
D. erop wijzend dat een groep soldaten op 22 maart 2012 verklaarde een staatsgreep te hebben gepleegd waarbij de democratisch verkozen president, Amadou Toumani Touré, werd afgezet;
E. overwegende dat onder auspiciën van de ECOWAS een terugkeer naar het constitutionele bestel werd overeengekomen en dat, overeenkomstig de grondwet van het land, de voorzitter van de nationale vergadering de eed heeft afgelegd als waarnemend president;
F. overwegende dat de humanitaire toestand in het door de rebellen gecontroleerde gebied erop achteruitgaat ten gevolge van plunderingen, ontvoeringen en chaos, waardoor de bevolking de regio is ontvlucht;
G. overwegende dat Burkina Faso, Mali, Mauritanië, Niger, Senegal, Tsjaad, Noord-Kameroen en Nigeria te lijden hebben onder een combinatie van droogte, armoede, hoge graanprijzen, milieubederf en chronische onderontwikkeling, en dat volgens VN-agentschappen meer dan 10 miljoen mensen met moeite aan voldoende eten komen;
H. overwegende dat er nog steeds geen einde is gekomen aan de reeks ontvoeringen die een aan AQIM gelieerde terroristische groepering heeft opgeëist, en dat op 15 april in Timboektoe een Zwitserse christelijke missionaris is ontvoerd door een groepering die al dertien westerlingen gegijzeld houdt;
I. overwegende dat de regio in haar geheel mede wordt gedestabiliseerd door de verspreiding van wapens uit Libië, drugshandel, hoge werkloosheid en armoede;
J. overwegende dat de toestand in Libië ertoe heeft geleid dat een groot arsenaal aan wapens ongecontroleerd van daaruit in de buurlanden is terechtgekomen en dat goed uitgeruste huurlingen naar Mali zijn teruggekeerd, wat nefast is voor de veiligheid en stabiliteit van alle landen van de Sahel en West-Afrika;
K. overwegende dat de opkomst van de politieke islam in West-Afrika, zoals gepredikt door Boko Haram, moet worden tegengegaan door de structurele oorzaken van armoede in Mali en West-Afrika aan te pakken, namelijk de ontoereikende economische en sociale ontwikkeling en de slechte verdeling van de rijkdom;
L. overwegende dat deze conflicten meestal te wijten zijn aan het niet-naleven van mensenrechten, het ontbreken van een rechtstaat, etnische en religieuze spanningen, georganiseerde misdaad, onrechtvaardigheid, ongelijkheid en gebrek aan economische ontwikkeling;
M. overwegende dat er op mensenrechten niet kan worden afgedongen en dat de eerbiediging van burgerrechten en socio-economische rechten van vitaal belang is voor duurzame ontwikkeling en vrede;
1. is verheugd over de doorslaggevende maatregelen van de ECOWAS, die tot het herstel van de grondwettelijke orde in Mali hebben geleid;
2. roept de Malinese autoriteiten en de Toearegbevrijdingsbeweging op via een constructieve dialoog een vreedzame en duurzame oplossing te zoeken;
3. is van mening dat om het conflict in Mali vreedzaam op te lossen de fundamentele oorzaak ervan moet worden aangepakt, wat o.a. neerkomt op een eerlijke toegang tot de hulpbronnen, duurzame en billijke ontwikkeling van de regio's en herverdeling van de rijkdom, met inachtneming van de fundamentele mensenrechten, met inbegrip van de rechten van minderheden;
4. dringt aan op het openen van een humanitaire corridor ten behoeve van de tienduizenden mensen die vanwege de gevechten in Mali ontheemd zijn en van wie er velen hun toevlucht hebben gezocht in buurlanden als Niger, Mauritanië en Burkina Faso; dringt ook aan op een alomvattend en snel antwoord op de humanitaire crisis in het Sahelgebied in zijn geheel;
5. verzoekt de West-Afrikaanse regeringen de verspreiding van wapens en drugshandel te bestrijden door in hun ontwikkelingsbeleid evenwichtige en duurzame ontwikkeling centraal te stellen teneinde de bevolking in het algemeen openbare basisvoorzieningen te bieden en jongeren in het bijzonder werkgelegenheid te verschaffen;
6. roept de Malinese autoriteiten, de West-Afrikaanse regeringen en de Nationale beweging voor de bevrijding van Azawad op hun uiterste best te doen om alle gijzelaars onmiddellijk vrij te krijgen;
7. is ervan overtuigd dat een duurzame oplossing voor de regio erop gericht moet zijn de overheidsinstellingen te versterken, de burgers actief bij de besluitvorming te betrekken en de grondslag te leggen voor een duurzame en billijke economische ontwikkeling;
8. dringt er bij de Commissie en de Raad op aan samen met de ECOWAS initiatieven te nemen om de vredesdialoog in de regio te bevorderen;
9. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de VN-Veiligheidsraad, de Afrikaanse Unie en de ECOWAS.